zondag 26 mei 2013

48 lege museumzalen empty galleries Paul Bonger Minimal Art the Choice of Frido Troost The Ducth Photobook


Schrijver: Bonger, Paul
Titel: 48 lege museumzalen
Uitgever: eigen beheer
Bijz.: Amsterdam 1974; softcover; oblong formaat (30 x 42 cm.); oplage: 400 ex.
Extra info: grofkorrelige opnamen van lege zalen in een aantal musea voor moderne kunst in Nederland, gemaakt tussen november 1972 en april 1974

Frido Troost

48 Lege Museumzalen - Paul Bonger, Amsterdam 1974
Over Paul Bonger is mij eigenlijk niets bekend, maar zijn boek “48 Lege Museumzalen” is zó ontzettend van zijn tijd, dat het als een onmiskenbaar icoon mag gelden van de seventies: Kunstenaars ontdekken het gemak en de mogelijkheden van fotografie en experimenteren er lustig op los, niet gehinderd door enige technische kennis (Jan Dibbets, Michael Kryszanovski,Ger Dekkers, etc.). Paul Bonger treedt de lege zalen van het gemeentemuseum Den Haag, het van Abbe, het Stedelijk, Boymans en nog zo wat musea voor hedendaagse kunst tegemoet met een kleinbeeldcamera en Tri-X. Het resultaat: grove korrel, grof raster, eigenlijk allemaal fout, maar desalniettemin he-le-maal goed. Minimalisme op groot formaat.

Kunstenaarsboeken uit Nederland en Belgie :

In 1974 heeft de kunstenaar Paul Bonger op de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam de richting publiciteit/grafische vormgeving afgerond. Gedurende deze opleiding in 1972 heeft Bonger samen met Rick Vermeulen een driedelige catalogus en kunstenaarsproject in één, vormgegeven in de stijl van een archiefkaarten systeem uitgegeven. Een inventaris van de verblijfplaatsen van de tijdelijke en vluchtige kunstwerken van de beruchte tentoonstelling 'Sonsbeek 1971 buiten de perken'. Daartoe werd steeds de voormalige locatie van het kunstwerk gefotografeerd waarna de betreffende kunstenaar werd gevraagd om de huidige verblijfplaats van het kunstwerk te fotograferen en te beschrijven. Aan deze bijdrage hebben o.a. Bas Jan Ader, Joseph Beuys, Marinus Boezem, Stanley Brouwn, Daniel Buren, Jan Dibbets, Ger van Elk, Hans Eykelboom (Eijkelboom), Barry Flanagan, Dan Graham, Douglas Huebler, Donald Judd, Sol LeWitt, Richard Long, Dennis Oppenheim, Nam June Paik, Panamarenko, Edward Ruscha & Wim T. Schippers meegedaan.

Bonger heeft in de jaren 1972-1976 een drietal projecten uitgevoerd waarin hij tentoongestelde kunstwerken in situ fotografeerde en vervolgens de lege tentoonstellingsruimten. De camera is ofwel op het kunstwerk gericht, ofwel op de ruimte waarin het kunstwerk zicht bevindt of bevonden heeft. In 1974 heeft Bonger een bijzonder kunstenaarsboek uitgegeven: 'Musea In Rust' - 48 lege museumzalen gezien door Paul Bonger (Goethe-Institut Provisorium 1974 oplage 300). Het boek, met op de omslag een groot andreaskruis, bestaat uit paginagrootte foto's van lege museumzalen van o.a. Van Abbemuseum, Stedelijk Museum Amsterdam en Gemeentemuseum Den Haag. 

In dit boek wordt de relatie tussen kunst en omgeving aan de orde gesteld. Over de wat filosofische kant van het project laat Bonger zich niet uit (uit: European art and my reflection Stedelijk Museum Amsterdam 1976). Symboliseert Bonger met deze 48 lege zalen misschien de heraldische doodverklaring van de kunst? Dat de grenzen van de schilderkunst zijn bereikt? Sinds de jaren zestig ontstonden steeds weer discussies onder kunstenaars en critici over de waarde van de schilderkunst, en toen ‘Op Losse Schroeven’ in 1969 werd georganiseerd was het medium al meer dan eens dood verklaard. Al in 1966 stelde Ad Reinhardt: ‘Ik ben bezig met het maken van de laatste schilderijen die iemand ooit ergens maken kan’. Er leek dus opnieuw na Malevich en Rodchenko een einde gekomen te zijn aan de schilderkunst. Natuurlijk werd er nog wel geschilderd, maar de zin ervan leek verloren. Dat was ten tijde van de Minimal Art, die de schilderkunst overbodig gemaakt leek te hebben, en van stromingen als Arte Povera, Land Art en vooral Conceptual Art die in 1974 zijn hoogtij vierde in Nederland en in dat jaar aan zijn einde kwam. Het levendige en progressieve culturele klimaat dat eind jaren zestig/begin jaren zeventig in Nederland, met name in Amsterdam, heerste, trok veel buitenlandse kunstenaars en andere kunstprofessionals aan. Volgens Jan Dibbets hebben deze hoogtijdagen van de Nederlandse kunst maar kort geduurd: 'in 1973/1974 was het eigenlijk alweer voorbij'. Hij was klaar met de horizon en distantieerde zich van het conceptualisme, om verder te gaan met nieuw werk.











donderdag 23 mei 2013

(Dutch) Landscape of Plenty Architecture Korrie Besems Photography


A visit to Batavia Stad gave rise to the initial impulse for the recent photographic project of Korrie Besems (Den Hout, 1961). This outlet shopping center in Lelystad has the appearance of an ‘age-old’ fortified town. Even cannons were incorporated into the theme: not to scare off the enemy, but to attract potential shoppers. Intrigued by this ‘leisure architecture’, Besems made it her subject and broadened the scope of her research to include all of the Netherlands. The photographs that she produced between June 2010 and October 2011—vacation resorts, golf courses, modern-day castles, shopping malls and retail parks—have now been compiled in the publication Landscape of Plenty. Her exhibition in the project space of Museum De Pont marks this occasion.

On her website Korrie Besems sums up the demand for Landscape of Plenty in a terse manner: ‘Leisure time is no longer time in which you can opt to do “nothing”; it’s time for experiencing “something”.’ In her series of photographs she then shows just how eager the leisure industry is to capitalize on that desire. Thematic leisure landscapes can be found throughout the Netherlands and range from playful wigwam parks, picturesque vacation villages in the ‘old Dutch’ style, to rolling green golf courses on landfill sites.

Besems has long been concerned with the transformation of the Netherlands, a densely populated country, and has also dealt with the issue of how those changes relate to the character and the specific qualities of the original landscape.Landscape of Plenty can be seen as a sequel to her 2009 publication, A Contrived Past. Here she focused on neo-traditionalism in urban development, which has spread like wildfire since the 1990s and has given many new neighborhoods ‘the atmosphere of then with the comfort of now’.

In the photographic project now on view, she lets us see how this trend also manifests itself – perhaps in an even more extreme way – in recreational places. This is done with the sobriety of a documentary. Nowhere do emphatic stagings or formal interventions distract us from the content of the image. The razor-sharp photographs come across as meticulous registrations of landscape-related situations at specific moments. In these leisure landscapes, created by and for people, man himself plays a strikingly subordinate role. With Besems you won’t see tourists enjoying themselves, as in folders and on websites that visually promote the attractiveness of such places; nor, for that matter, their bored opposites who figure so shockingly in the photographs of Martin Parr. Korrie Besems concentrates on the situation contained in the landscape and, in doing this, often opts for a distant view. Rather than zooming in and focusing, she literally takes a step back in her photographs. This is how she reveals that which, for the sake of the credibility of the place, could best have been left out. Not only are we looking at nostalgic facades, but also at the off-key bench and the waste bin with its blousing liner, standing in the flowerbed in front of the vacation homes. Not only at the little Saxon farmhouses, but also at the bouncy pink plastic dinosaur standing on a worn patch of grass.

Visual rhyme and humor prove to be another effective means for making the friction between different realities palpable. In the photograph of the Inntel hotel in Zaandam, the bicycle racks in the foreground take on a surprising relationship with the hotel’s form of stacked Zaandam houses. Her photograph of beach resort Makkum shows a deserted traffic circle. Two lone joggers are the only vacationers to be found on the road. They’re doing their lap around the obstacle erected with basalt blocks and crowned with three boulders. In Besems’s photographs, reality is constantly undermining the illusion. The unemphatic way in which this happens is, oddly enough, the visual strength of the series. Landscape of Plenty holds a great deal to discover which surprises us visually, but provokes thought as well.

Nederlands nieuwe pretomgeving

Tracy Metz
artikel artikel | Donderdag 23-05-2013 | Sectie: Cultureel Supplement | Pagina: NH_NL04_008 | Tracy Metz

In Tilburg toont Korrie Besems haar fotoserie Luilekkerlandschap. Ze brengt de architectuur van de Nederlandse vrijetijdsindustrie in beeld. Pretparkwonen en gewoon wonen vloeien in elkaar over.

Het ziet er niet bepaald gezellig uit in de vakantieparken, shopping outlets en andere vrijetijdsoorden die Korrie Besems heeft bezocht voor Luilekkerlandschap, haar nieuwe boek en tentoonstelling in Museum De Pont in Tilburg. Ja, de zon schijnt en de lucht is vaak staalblauw, maar er lopen hooguit een paar mensen rond en het voelt er in alle opzichten koud en leeg aan. Gaan we hier echt voor ons plezier, en soms ook nog tegen betaling, naar toe? En wat zoeken we daar?
Al sinds eind jaren negentig houdt Besems (52) zich bezig met het in beeld verslag doen van neo-Nederland. Postmodernisme, neotraditionalisme - oud is het nieuwe nieuw. Haar vorige project, Verzonnen verleden (2009), ging over het thematiseren van de woonarchitectuur en de stedenbouw. Overal in het land schieten de nep-jarendertighuizen uit de grond, net als de burchten, kastelen, ru�nes en vierkante notariswoningen. De vormgeving en stijl staan helemaal los van de plek waar de huizen staan. Pastelkleurige vissershuizen in Houten, bij Utrecht? Grachtenpanden in een Brabants weiland? Geeft niets, gezellig toch?
Na een bezoek aan Batavia Stad, het outletcentrum aan de rand van Lelystad dat als een VOC-fort is vormgegeven, raakte Besems ge�ntrigeerd door de manier waarop deze trend ook in vrijetijdsattracties is overgenomen. In het boek, dat als een fotoalbum met ringband is vormgegeven, blader je langs de gepotdekselde houten huisjes in de nieuwe 'wijk' van de Efteling, Bosrijk, of de golfbaan die onderdeel is van de kastelen in de vinexwijk Haverleij bij Den Bosch. Langs de straten met 'Zaanse huisjes' van het vernieuwde centrum van Zaandam en de Amerikaans aandoende veranda's en witte houten hekjes van het Zeeuwse vakantiepark Aquadelta. Het is allemaal in gelijke mate even knus als vervreemdend.
Vrije tijd is niet meer de tijd waarin je 'niets hoeft', maar waarin je 'beleeft', zegt Besems in haar werkruimte in een broedplaats in het westelijke havengebied van Amsterdam. De manier waarop de geschiedenis als makkelijk te hanteren verkoopargument wordt gebruikt - het liet me niet los. De grachtenwoningen van Brandevoort, een wijk in Helmond, zijn kennelijk een soort tapijt dat je onbeperkt kunt uitrollen. In haar inleiding schrijft ze daarover: In de vrijetijdsindustrie is elk denkbaar thema geoorloofd. Dat het oorspronkelijke landschap moet wijken, doet er kennelijk niet toe.
Nee, zegt ze desgevraagd, dat is geen boosheid, maar verwondering. Toch wordt uit haar foto's, naarmate je er meer van ziet, duidelijk waar ze zelf staat. Ze blijft voor het grootste deel aan de buitenkant van die enclaves, wat letterlijk en figuurlijk de afstand vergroot. Bovendien heeft ze gefotografeerd op het moment dat er maar een paar mensen in beeld zijn. Een beetje manipuleren doe ik wel, gaf ze deze week toe tijdens de presentatie van haar project in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. Mensen kijken vooral naar andere mensen, ook op foto's. Als er te veel mensen op staan, dan neem je deze wonderlijke omgevingen niet meer goed waar. Mijn onderwerp is vooral het landschap en de veranderingen daarin.
Nieuwe landschappen
De thematisering maakt deel uit van de slag om onze koopkracht, constateert hoogleraar vrijetijdsstudies in Tilburg, Hans Mommaas, op de bijeenkomst in De Zwijger. Het zijn uitvergrote beelden van een monomane verveling, zegt hij, van een wysiwyg-architectuur: what you see is what you get, en meer ook niet. Ja, de nieuwe economie van de vrije tijd brengt nieuwe landschappen met zich mee. En nee, we hebben ons in de ruimtelijke ordening hiervan onvoldoende rekening gegeven.
In zijn essay in Luilekkerlandschap kan schrijver en filmmaker Peter Delpeut zijn verbazing nauwelijks de baas. Na een bezoek aan Disneyland had hij moeten constateren dat de glamour van Disney het met gemak won van het armoedige, stoffige landschap van de 'echte' wereld daarbuiten. Wat in Florida kon, blijkt in Nederland ook te kunnen, schrijft hij. Ingrijpender zelfs, want waar in Florida nauwelijks schade werd aangericht aan een eeuwoud cultuurlandschap, heeft de invasie van fantasielandschappen in Nederland het karakter van een complete make-over. De nostalgie is geen ge�soleerd fenomeen, maar een uitvloeisel van het verlangen naar een geschiedenisloze wereld waarin fantasie het hoogste woord voert.
Hans Mommaas zit er niet zo mee. Vrijetijdslandschappen zijn altijd oorden geweest waar je vrij kon experimenteren, zegt hij. Mensen die vakantie vieren in een wigwam of een sprookjeshuis weten heus wel dat het een tijdelijk spel is. Bovendien kan een vrijetijdsfunctie een verbetering zijn, zoals de vuilnisbelt die tot groen recreatiegebied wordt getransformeerd.
De invloed van de vrijetijdsindustrie, zowel economisch als ruimtelijk, is zo groot, dat we die maar beter kunnen aanwenden om op andere fronten het landschap te verbeteren. Als voorbeeld noemt hij het vakantiepark Bosrijk van de Efteling. Dat mocht pas worden gebouwd na lange onderhandelingen met de Brabantse natuurbescherming en concrete afspraken over de bijdrage van de Efteling aan herstel van de zandgronden. Laten we ons richten op dat gemeenschappelijke belang. Naarmate het platteland steeds dunner wordt bevolkt, moeten we op zoek naar nieuwe economische dragers voor de natuur.
Kunstmatig en authentiek
De opvallendste trend die Verzonnen verleden en Luilekkerlandschap samen onomstotelijk bewijzen, vindt Mommaas het in elkaar overvloeien van de 'gewone' woonomgeving en de gestileerde pretomgevingen. De binnensteden worden immers ook steeds meer pretparken, nieuwe buitenwijken worden aangekleed als oude binnensteden. De tegenstelling tussen het kunstmatige en het authentieke wordt steeds minder houdbaar. De landschappen vanKorrie Besems zijn geen uitzondering meer. De geschiedenis als grabbelton: het gebeurt, de fotograaf laat het zien en laat het aan de kijker over om daar iets van te vinden. Wie ben ik om te zeggen: dit is niet goed? vraagt Besems retorisch. Het zegt wel iets over wie we nu zijn en over de tijdgeest. Die in kernachtige beelden vastleggen, dat is mijn bescheiden ambitie. De uitdaging is om in gelaagde beelden de essentie van een plek of landschap te vangen zodat je niet in ��n blik klaar bent.
Geschiedenis is een makkelijk verkoopargument geworden
Info: Korrie Besems: 'Luilekkerlandschap'. T/m 14 juli in museum De Pont, Tilburg. Inl: www.depont.nl. Boek: www.99uitgevers.nl, euro25.
Foto-onderschrift: Blauwestad, Oldambt, 2010 Efteling Bosrijk, vakantiepark, Kaatsheuvel, 2010 Aquadelta, vakantiepark, Bruinisse, 2011
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.






woensdag 22 mei 2013

Wayne Miller the making of The Family of Man Photojournalism Photography


Wayne Miller (American, 1918 - 2013) was born in Chicago and attended the University of Illinois, Urbana (1938-40) where he studied banking and worked part-time as a freelance photographer. From 1940-42 he studied photography at the Art Center School of Los Angeles and went on to serve in the US Navy where he was assigned to Edward Steichen's Naval Aviation Unit (Miller would later assist Steichen in putting on the record-breaking "Family of Man" exhibition at MoMA in 1954). After the war, Miller won two consecutive Guggenheim Fellowships (1946-48) and photographed a body of work entitled "The Way of Life of the Northern Negro," which was later published as Chicago's South Side (UC Berkely, 2000).Miller briefly taught at Chicago's Institute of Design before moving to California where he worked for Life magazine until 1953. He became a member of Magnum Photos in 1958, serving as its president from 1962-66.  He later went to work with the National Park Service and in 1975 abandoned professional photography in order to dedicate himself to the defense of California forests.















Photographer Wayne F. Miller, who helped revolutionize documentary photography and lead the movement to renew California’s forests, died on May 22, 2013 at age 94. Mr. Miller, born in Chicago, Illinois in 1918, began his career over the Pacific, shooting photographs of the Pacific combat theater during World War II, having been hand selected by Capt. Edward Steichen for his elite naval combat photographic unit that documented the war effort.
One of Mr. Miller’s most recognized photographs from the war shows a wounded pilot being pulled from his fighter plane. By tragic coincidence, Mr. Miller had been scheduled for the flight and the photographer who had taken his place was shot and killed while documenting the firefight. While Mr. Miller’s war photography documented soldiers both at ease and in combat, tragedy dominated.

Mr. Miller was one of the first to arrive at Hiroshima to document the devastation left by the atomic blast. Mr. Miller throughout his life kept a piece of the rubble, a Japanese teacup into which glass had melted, at the doorway to his darkroom as a memorial.
After the war, Mr. Miller celebrated life by finding it on Chicago’s South Side. The predominantly African American community settled partly by former sharecroppers from Mississippi and Georgia invited Mr. Miller into their homes and their lives. The Guggenheim Foundation awarded him two fellowships to photograph the community between 1946 and 1948. While these photographs included celebrities like Ella Fitzgerald, Duke Ellington, Lena Horne, Gwendolyn Brooks, and Eartha Kitt in their early careers, most of the photographs were of ordinary people in ordinary settings.
He then picked up his growing family and with his wife, Joan, moved west to California on the encouragement of fellow documentary photographer Dorothea Lange. Mr. Miller and Joan settled in Orinda, California, and Mr. Miller’s Orinda studio became a gathering spot for iconic photographers of the day, including Lange and Steichen. 
Mr. Miller and Steichen worked together until Steichen’s death in 1973, also at the age of 94. Steichen, and Mr. Miller as his assistant, embarked on the Family of Man project in 1953, a collection of images of humanity from around the globe, in response to World War II. Steichen, then the curator of photography at the Museum of Modern Art, sought a photographic representation of the similarities among people. They sorted through nearly 2 million photographs before selecting 503 images from 273 photographers in 68 countries. The exhibit opened in the Museum of Modern Art in 1955 and traveled the world. The exhibit was turned into a book by the same name and has sold 4 million copies. The exhibit and book included several personal pictures by Mr. Miller, including a portrait of his daughter, Jeanette, and an image of the birth of his son David being delivered by Mr. Miller’s father. The image, features a towering umbilical cord as the surgeon grandfather lifted the newborn upside down by the leg.
For the next several decades, Mr. Miller traveled for Life Magazine, Ebony, News Week, Saturday Evening Post, National Geographic, and other magazines of the time. Other projects included a collaboration with Dr. Benjamin Spock and John B. Reinhart on the book “A Baby’s First Year” and Mr. Miller’s own book, “The World is Young.”
In the mid-1970’s, Mr. Miller retired the camera professionally to pursue a passion for California’s redwood forests. Mr. Miller and Joan themselves owned a small patch of forest land in Mendocino County they had bought when nearly bare, clear-cut land and had watched the trees regenerate with their stewardship. As a landowner, Mr. Miller became aware of tax laws that encouraged clear cutting. In response, he spearheaded an effort to eliminate those laws and regulations that inadvertently penalized forest owners for keeping trees as a founding member of the Forest Landowners of California. The group’s work resulted in major changes that led to creation of sustainable regulations for forest management for California forest land that remain in place today. Mr. Miller’s own forest land continues to serve as an example of sustainable logging practices.
Among the only photographs Mr. Miller made after his retirement were those documenting the growth of his redwood forest. He had photographed his wife, Joan, standing on the clear cut property in 1958 surrounded by large stretches of bare soil, eroded slopes, and scattered remaining trees. In 1998, Joan stood in the same spot with a continuous, verdant redwood forest in the background. Mr. Miller is also survived by his four children, Jeanette Miller, David Miller, Dana Blencowe, and Peter Miller, nine grandchildren and one great grandchild with another on the way.




Even Better than Becher & Ruscha : De Nederlandse Huisvrouw Philips Nipo Frido Troost Erik Kessels Paul Kooiker Terribly awesome photo books Photography


Titel: De Nederlandse huisvrouw: onderzoek naar de huishoudelijke bezigheden door het NIPO in opdracht van Philips Nederland N.V. door NIPO
Uitgever: Philips
Bijz.: 1966. Gebonden.

Frido Troost
Institute for Concrete Matter te Haarlem

De Nederlandse Huisvrouw - Philips Eindhoven, afd. Marktanalyse, februari 1966
Onbedoeld het eerste en beste conceptuele fotoboek ooit in Nederland gemaakt. Gewapend met een vragenlijst togen NIPO-onderzoekers het land in om in opdracht van Philips de Nederlandse huisvrouw te interviewen over de gemakken en ongemakken van het huishoudmanagement in die tijd. Het boek begint met de uitkomsten van de survey (72pp) en vervolgt met de huiskamers en keukens van álle bezochte woningen, gefotografeerd vanuit twee standpunten (216pp.). Op elke fotopaar is een bordje met een indexnummer meegefotografeerd. Daar waar de fotograaf niet in staat was om een foto te nemen is een leeg kader geplaatst, al dan niet met opgaaf van reden (“Hier kon geen foto van de keuken/eetkamer worden gemaakt: het gezin zat te eten”). Niet alleen een onverbiddelijk tijdsbeeld, maar in opzet en uitvoering ook te lezen als autonoom fotoboek; het Nederlandse pendant van het werk van Ed Rucha en de Bechers…alleen nog veel beter!

Mentioned in : Erik Kessels / Paul Kooiker, Terribly awesome photo books 30 x 37 cm 64 pages news paper print edition of 1000 ISBN 9789490800093 
For several years, Paul Kooiker and Erik Kessels have organized evenings for friends in which they share the strangest photo books in their collections. The books shown are rarely available in regular shops, but are picked up in thrift stores and from antiquaries. The group’s fascination for these pictorial non-fiction books comes from the need to find images that exist on the fringe of regular commercial photo books. It’s only in this area that it’s possible to find images with an uncontrived quality. What’s noticeable from these publications is that there’s a thin line between being terrible and being awesome. This constant tension makes the books interesting. It’s also worth noting that these tomes all fall within certain categories: the medical, instructional, scientific, sex, humour or propaganda. Paul Kooiker and Erik Kessels have made a selection of their finest books from within this questionable new genre.












zondag 19 mei 2013

The Office Project 3 Het Kantoor Enno Develing the Choice of Frido Troost The Ducth Photobook


Author: DEVELING, E.
Title: Het Kantoor: Project drie. Met 4 EP grammo foonplaten, 33 1/3 r.p.m. Geluid en montage W. van Holstein. 24 pp interview tekst. 240 foto's van een uur kantoorleven. Losbladig in doos. Oplage 1000 stks.
Description: Manteau, Brussel / Den Haag, 1973. Titelblad licht roestvlekkerig. Overige schoon en net. Doos ruw karton. Nietjes van bodem los. Curieus geval.

Frido Troost

Het Kantoor (Project3) - Enno Develing, uitgeverij Mateau 1973

Enno Develing was naast conservator moderne Kunst van het Haagse Gemeentemuseum ook schrijver en in de laatste hoedanigheid, als kind van zijn tijd, gefascineerd door alternatieve vertelvormen. Onder de titel “Het einde van de Roman” publiceerde hij drie projecten: “De Soldaten”, “De Maagden” en tot slot “Het Kantoor”, een onmiskenbaar conceptueel meesterwerkje: De medewerkers van een Haags kantoor vertellen in een kwartier wat ze het laatste uur hebben gedaan. Het tekstgedeelte van het werk bestaat uit de letterlijke transcriptie van deze interviews (24 hilarische pagina’s). Tegelijkertijd heeft een team van fotografen één hoek van het kantoor vanuit vier verschillende standpunten elke minuut gedurende één uur gefotografeerd…zestig pagina’s met vier beelden. Op vier begeleidende singeltjes kan de lezer/kijker ondertussen de opgenomen kantoorgeluiden beluisteren. Simpelweg geniaal.




In de leefwereld van de mensen

Enno Develing, de voorloper van J.J. Voskuil

door Martijn Meijer
recensie recensie | Vrijdag 13-07-2001 | Sectie: Overig | Pagina: 20 | Martijn Meijer

Voskuils romanserie `Het bureau' is uitbundige fictie in vergelijking met `Het kantoor', een doos materiaal die de auteur Enno Develing in de jaren zeventig verzamelde.

Onder een berg onleesbare papieren ligt de tweelingbroer van J.J. Voskuil begraven. Een schrijver die lang voor Voskuils Het bureau de benauwde wereld van het kantoor tot onderwerp koos. Een schrijver op wiens werk de kritiek die Voskuil te verduren kreeg, bij uitstek van toepassing is: het heeft meer met de werkelijkheid te maken dan met de literatuur.
Aangezien herkenning van de door Voskuil beschreven kantoorcultuur een grote rol speelde in de algemene waardering voor Het bureau, werden de literaire verdiensten van de boeken soms over het hoofd gezien. Enkele publicisten klaagden dat 5.500 bladzijden echt te lang was voor een verhaal waarin niets gebeurt, te veel herhalingen voorkomen en de hoofdpersonen zich nauwelijks ontwikkelen. Het bureau zou kortom te veel op het echte leven lijken.
Dat de registratie van het `echte leven' ergerniswekkend banaal kan zijn, is afdoende gedemonstreerd door de realitysoap Big Brother, waarmee Het bureau wel vergeleken werd. ,,Het is soap voor intellectuelen', zei Vrij Nederland-hoofdredacteur Xandra Schutte in 1999 tegen de Volkskrant. ,,Voskuil heeft geen gevoel voor stijl en geen gevoel voor maat. Het is calvinistisch en armoedig. Het is bandrecorderproza.' Trouw-columnist Sylvain Ephimenco sprak van een `compilatie van notulen'. In een artikel over de teloorgang van de letteren, afgelopen december in Trouw gepubliceerd, beschrijft Ephimenco Voskuils werk als exemplarisch voor het kwalijke `minimalisme' in de Nederlandse literatuur: een `minimalisme in de vorm' en wat de inhoud betreft een minimale `maatschappelijke betrokkenheid'.
Dit `minimalisme' lijkt een erg relatief begrip. Je kunt Voskuil een minimalist noemen als je hem naast Peter Verhelst zet, en een maximalist als je hem vergelijkt met een schrijver die nog minimaler dan hij te werk is gegaan. En zo'n schrijver heeft bestaan: Enno Develing. In 1973 verscheen zijn project over het kantoorleven, Het kantoor. Develing (1933-1999) was een schrijver waarmee vergeleken Voskuil mijlenver van de werkelijkheid afstaat.Develing was pas echt een minimalist, en zijn `project' Het kantoor is je reinste bandrecorderproza: het bevat in spreektaal weergegeven interviews met kantoorpersoneel en foto's en geluidsopnamen van een kantoorruimte in een niet nader ge�dentificeerd Nederlands installatiebedrijf.
Develings rol als auteur was minimaal, op het niet-bestaande af, zowel in zijn werk als in het literaire leven. De critici schreven met onverholen spot over zijn projecten, het door hem beoogde brede publiek las hem niet. Amerikaanse Minimal Art-kunstenaars als Donald Judd, daaraan voelde Develing zich verwant. Eenvoudige geometrische vormen, emotieloos weergegeven, zonder symboliek of opgelegde esthetiek. Develing werkte in de jaren van zijn publicaties als wetenschappelijk assistent bij het Haags Gemeentemuseum, waar hij een documentatiesysteem over de nieuwste stromingen in de Amerikaanse kunst opzette. Ook organiseerde hij een tentoonstelling van de minimalist Sol Lewitt.
Functioneel
Enno Develing vond dat de kunst het museum uit moest, `de leefwereld in van de mensen'. Kunst moest helpen om de wereld leefbaarder te maken, zo functioneel worden als de Deltawerken. Literatuur moest haar `informatieve-communicatieve functie' terugkrijgen. Vandaar dat de scheidslijn tussen de werkelijkheid, althans die van een aprilochtend in 1973, en Develings project Het kantoor tot het minimale beperkt is. Met behulp van fotografen, geluidstechnici en interviewers heeft hij die ochtend gedurende een uur alles vastgelegd wat er in de betreffende kantoorruimte voorviel.
Het Letterkundig Museum wijdde in december 1973 een tentoonstelling aan het materiaal. Het kantoorproject werd vermenigvuldigd en in duizend exemplaren in de handel gebracht door de Brusselse uitgeverij Manteau, niet als boek maar als doos. Daarin zaten vier EP grammofoonplaatjes met geluidsopnamen (geroezemoes, het rinkelen van telefoons, het ratelen van typemachines), 240 foto's van keurige mannen en enkele vrouwen, werkend aan stalen bureau's, en vierentwintig pagina's interviewtekst, letterlijk opgetekend uit de monden van anonieme sprekers, zonder kop of staart, zonder vragen, als ��n blok monoloog.
,,In dit verhaal wordt niets verbloemd, niets weggelaten, niets mooier gemaakt', zei Develing dat jaar tegen De Gooi- en Eemlander. ,,Hier wordt het verhaal van een uur op een kantoor volledig verteld, zonder dat ik de lezer-luisteraar-kijker een bepaalde visie opdring. Hij moet en kan nu zelf zijn conclusies trekken.' Een mogelijke, hoewel waarschijnlijk onrechtvaardige conclusie op basis van Develings materiaal is, dat het kantoorleven anno 1973 van een misdadige banaliteit en betekenisloosheid was. Een uur met het babbelende personeel van Develing maakt een oneindig monotoner en nihilistischer indruk dan de dertig door Voskuil beschreven jaren bij elkaar. De kromme zinnen en kromme gedachten die ze te berde brengen zouden alleen misschien de afdeling volkskunde van het P.J. Meertens-Instituut kunnen interesseren, in het kader van een onderzoek naar kantoorcultuur van destijds.
Een voorbeeld: ,,Met de collega's is 't ook goed, nou ja, de ��n wel en de ander niet, dat is overal, h�, ik bedoel 't is overal verschillend. Nee, 't gaat ook, nee, zo vervelend doen ze nou ook weer niet, hoor, ik bedoel, 't is gewoon nou, ja de ��n kan meer uiten as de ander, 't is gewoon je moet d'r mee werke en eh nou ja, je werkt d'r ook mee, zo is 't.' Uit deze stuurloze kletspraat springt een paar keer een aardige uitspraak op: ,,Ik heb 's een pastoor horen zeggen of je nou eh kathedralen bouwt of aardappelen zit te schillen, da's voor God hetzellefde, nou zoiets zie zo beschouw ik 't ook wel een beetje.'
Heeft Develing een kathedraal willen bouwen of was aardappelen schillen hem genoeg? Met andere woorden, wat is nu de waarde van deze anti-roman? En wat bezielde de `schrijver' ervan, Enno Develing? Het kantoor kan het beste tot de conceptuele kunst gerekend worden, want in het verrassende idee ligt enige waarde, niet in de uitvoering ervan. Dat Develing door iets bezield werd, blijkt uit het feit dat hij een vergelijkbare procedure al bij twee eerdere projecten had toegepast, Voor de soldaten (1966) en De maagden (1968). In het eerste project werd de eerste dag van militair dienstplichtigen gereconstrueerd, in het tweede de ontmaagding van een aantal meisjes.
Ready-mades
Develing stond niet alleen in zijn pogingen een zo `objectief' mogelijke literatuur te schrijven. Hij is verwant aan stromingen als het neo-dada�sme van de jaren zestig, waartoe het tijdschrift Barbarber van J. Bernlef en K. Schippers gerekend kan worden, en Pop Art (Andy Warhol) en Nieuw Realisme (Tinguely) in de beeldende kunst. De kunstenaar leverde geen commentaar meer, interpreteerde niet; hij aanvaardde de werkelijkheid. Gewone gebruiksvoorwerpen werden tot kunstwerken uitgeroepen (ready-mades), en reclameteksten en gesprekjes in de trein tot literatuur. De progressieve kunstenaar wilde de scheidslijn tussen kunst en leven en tussen de hoge en lage kunst doorbreken - een ontwikkeling die zich later juist dankzij het door de linkse intellectuelen van toen zo verfoeide kapitalistische marktprincipe zou voltrekken.
Develing heeft zijn drie projecten verklaard en een rechtvaardiging proberen te geven in Het einde van de roman (1968/1973), een verzameling pamfletten. Hij had, zo blijkt, revolutionaire bedoelingen. Het moest maar eens afgelopen zijn met die autobiografische, individualistische romans waarin de schrijver uiting geeft ,,aan zijn persoonlijke frustraties, psychologische merkwaardigheden, zijn onmacht tot een voor hem aanvaardbaar maatschappelijk bestaan en verder alles wat nog meer zijn persoonlijkheid kan uitmaken'. De romankunst is losgeraakt van de werkelijkheid, vondDeveling, de elite gebruikt haar louter als `ontvluchtingsmiddel'. Bovendien is de communicatie tussen schrijver en lezer autoritair, want de laatste krijgt een hem wezensvreemde werkelijkheid opgedrongen. Dit is allemaal natuurlijk zeer `ondemocratisch'.
De creativiteit `tot nul gereduceerd', de `realiteit tot een maximum opgevoerd', dat wilde Develing bereiken in zijn werk. De schrijver moet zich uit zijn werk terugtrekken, zich niets meer verbeelden; de lezer mag het hem aangeleverde ruwe materiaal zelf interpreteren, in de hoop dat hij gaat beseffen dat er geen vaste waarden, geen zekerheden, geen eenduidige werkelijkheid bestaat. Een paradoxale onderneming is het, door middel van de beschrijving van zogenaamd objectieve feiten willen aantonen dat zulke feiten eigenlijk niet bestaan. Minstens zo paradoxaal als literatuur willen bedrijven zonder literaire middelen te gebruiken. Develings drie projecten zijn dan ook grandioos mislukt, door een gebrek aan structuur, aan vormgeving. Zijn oeuvre is een monument van overbodigheid. Uiteindelijk schatte hij, net als de door hem verfoeide autobiografische auteurs, het belang van het werkelijkheidsgehalte van de literatuur veel te hoog in. Waarschijnlijkheid is in de literatuur voldoende, zo leert Voskuils werk.
Develing zou een voorloper van Voskuil genoemd kunnen worden, aangezien ze allebei de nauwkeurige registratie van de kantoorwerkelijkheid beoogden. Alleen verlaat Voskuil zich op zijn herinneringen aan de tijd dat hij aan het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut werkte; het geheugen van de schrijver heeft al een eerste selectie gemaakt uit het materiaal dat de werkelijkheid aanbiedt. ,,De essentie van elke passage is waar', zei Voskuil zelf in een interview; de werkelijkheid werd ingedikt en herschikt in het schrijven. Zo komen de vele dialogen in Het bureau wel natuurlijk over, maar ze zijn nooit letterlijk zo uitgesproken. Dat de tekst de kracht van waarschijnlijkheid behoudt, dat is artistieke suggestie.
In de literatuur lijkt de directe, onopgesmukte weergave van het echte leven niet eens op het echte leven, maar op iets dat veel erger is dan dat: een wereld van louter feiten waarin de mens ronddwaalt, niet in staat tot articuleren. Dat is althans de conclusie die je moet trekken als je van Develings Het kantoor hebt kennisgenomen.
Info: Met dank aan Helga Ruebsamen
Foto-onderschrift: Enno Develing in 1973 te midden van `Het kantoor', met onder andere geluidsopnamen van kantoorleven foto Wolson, collectie Letterkundig Museum
Trefwoord: Kunst en CultuurKunstTaal- en LetterkundeLiteratuur
Persoon: Enno DevelingJ.J. Voskuil
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Enno Develing, geluidsopname uit Het kantoor, 1973 © Letterkundig Museum