donderdag 12 september 2019

15 Years after the Atomic Bomb Hiroshima Tozu Nagata Photography


Patria Shoten
The Patria publishing house published several books on Japanese news. In 1960 after the publication of "The Children of Chikuho", he published this book about Hiroshima 15 years after the atomic bomb, through the lives of several of the bombing survivors; a school teacher, a fisherman, an elderly couple, an official, a blind man, etc.

This publication appears in the Japanese photobooks History book, "The Japanese photobooks 1912-1990" published by Steidl.

This edition was printed on very poor quality paper, so that it would be cheap and affordable for everyone. As you can see in the photographs the paper is very yellow, but this is the condition in which this book is.

土門拳(1909-1990)の代表作『筑豊のこどもたち』がパトリア書店から出版されたのが1960年の1月。本書は同じ年の夏に同出版社から出版された写真集。裏表紙のプロフィールによると著者である永田登三は毎日新聞大阪本社に勤務するアマチュアカメラマンとある。毎週休日の日ごとに夜行で広島へ行き、また夜行で大阪に戻るという撮影生活を続け、被爆者たちの生活を記録したんだそう。被爆から15年しか経っていない広島。造本は先の『筑豊のこどもたち』を踏襲している。表表紙の裏には謹呈+署名あり。別刷りの英文テキストが一葉付属している。

まえがき:ロベルト・ユンク(Robert Jungk)

目次
まえがき ユンク
あとがき 永田登三
ある女教師.1
ある女事務員.2
ある漁夫.3
ある夫婦.4
ある老サラリーマンの一家.5
ある老夫婦.6
ある老婆.7
わたしらには戦後はない.8

出版社 publisher:パトリア書店/Patoria Shoten(Patoria Bookshop)
刊行年 year:1960
ページ数 pages:95
サイズ size:H255×W180mm
フォーマット format:中綴じ/saddle stitch
言語 language:和文/Japanese
付属品 attachment:
状態 condition:少傷み。/slightly damaged.























dinsdag 10 september 2019

The PTT Letterbox in the Dutch Landscape Design Friso Kramer Jan-Dirk van der Burg Photography


De PTT-brievenbus: een icoon in het Nederlandse landschap
Jan-Dirk van der Burg
5 september 2019


De PTT-buitenbus mag gerust een landschappelijk icoon in het Nederlandse landschap worden genoemd. Ooit bedacht om de bezorgronde van de postbode niet tot een uitputtende veldtocht te maken. Elk huis dat verder dan 10 meter van de stoep af staat, was vanaf 1972 verplicht om de postbode een handje te helpen en een buitenbus te plaatsen.

Ik heb altijd gedacht dat dit een prachtig gebaar van de PTT naar hun werknemers was, maar wat blijkt: het was gewoon een bezuinigingsoperatie! Deze maatregel bespaarde 360 arbeidsplaatsen per jaar omdat men met veel minder postbodes toe kon.

Ieder huishouden was trouwens volkomen vrij om een eigen bus te kiezen, maar de reden waarom de PTT-bus het hele buitengebied in korte tijd heeft veroverd, valt met de Vaderlandse volksaard te verklaren: hij was gratis.

Jan Dirk van der Burg is Fotograaf des Vaderlands. Maandelijks maakt hij een beeldverslag van Nederland.

Na een proef in Drachten had de PTT al snel 450.000 bussen geïnstalleerd. Alleen in Gelderland waren problemen, daar werd post uit de bus gestolen en in Friesland werden ze opgeblazen met oud & nieuw. Dat de PTT dan niet wéér een gratis een bus kwam bezorgen, zorgde wel voor veel verontwaardiging.

Ik vind de bus, een ontwerp van Friso Kramer een meesterwerk. Onder postbodes geliefd om zijn binnenklep en comfortabele inwerpgleuf, hoewel je van de PTT ‘inwerp-opening’ moest zeggen, vanwege de eventuele schunnige connotatie.

We kunnen inmiddels een aantal opvallende gebruikerscategorieën onderscheiden. De mensen die een nisje voor de bus in hun heg zagen, de groene sokkel, de camouflage-poging of de hurkhoogte-variant. De buitenbus heeft gezorgd voor een permanente expositie van onze Nederlandse creativiteit.

De groene buitenbrievenbus, een herinnering aan Friso Kramer (1922-2019)
22 februari 2019

Het is eind jaren 1960 en er wordt meer en meer post verstuurd. Voor de PTT (de voorloper van PostNL) is efficiency enorm belangrijk, en zoekt een manier om de routes van de postbestellers sneller en goedkoper te maken. De PTT bepaalt dat wanneer je voordeur met brievenbus verder dan 10 meter van de weg af ligt, je van de PTT een buitenbrievenbus aan de weg moet plaatsen. Dat scheelt veel lopen voor de postbode! Hoewel daar tegenover staat dat je zelf naar je buitenbrievenbus moet gaan om je post te halen.

Een design van Friso Kramer
Hein van Haaren is hoofd van de Dienst Esthetische Vormgeving van de PTT en vraagt aan Friso Kramer om een buitenbrievenbus te ontwerpen. Kramer heeft een flinke staat van dienst als industrieel ontwerper. De Revoltstoel uit 1953 en de straatverlichting uit 1960 zijn een feit en hij werkt aan kantoormeubilair en heeft bestuursfuncties in het culturele veld. Met het ontwerpbureau Total Design heeft hij zich beziggehouden met de vele facetten van designvraagstukken.

Ontwerp brievenbus
Is het bedenken van een brievenbus niet veel te simpel voor hem? Reken maar dat de brievenbus slim doordacht is en ingenieus in elkaar zit! Hoe zorg je ervoor dat de post er goed in past, door zowel postbode als ontvanger van de post prettig te gebruiken is, hij mag van binnen niet nat worden, de klep moet niet hinderlijk klapperen in de wind, de naam en adresgegevens moeten er duidelijk op (met bijgeleverde kaartjes, plakletters en cijfers). Inclusief beveiliging tegen post-diefstal, door een slotje.

Als materiaal kiest Kramer voor kunststof, dat is goed in grote aantallen te produceren want het werd in matrijzen geperst. De bussen moeten wel lang meegaan, in weer en wind. Daarom zijn ze geverfd in een donkere kleur. De keuze viel op groen, om precies te zijn RAL 6005.

400.000 brievenbussen
Kramer en Van Haaren plaatsen 1000 van deze brievenbussen op proef, in Drachten. Na drie maanden evalueren ze ter plaatse en voeren ze verbeteringen door. In 1972 bestelde PTT 400.000 buitenbussen bij Wavin NV te Zwolle. En evenzoveel bevestigingsmateriaal, palen, slotjes, kaartjes, plakletters en cijfers. Sinds 1973 maken ze onderdeel uit van het straatbeeld.

1971 buitenwoningbrievenbus Friso Kramer

1971 buitenwoningbrievenbus Friso Kramer
1. Maximale camouflage




2. Nis in de heg





3. Groene sokkel




4. Dubbelbus





5. Bovenwaartse uitsparing




Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 7 september 2019

maandag 9 september 2019

Views & Reviews Portretten Huizen Sterren Stedelijk Museum Amsterdam Thomas Ruff Photography


Thomas Ruff. Portretten, Huizen, Sterren
Foreword (in Dutch, French and German) by Dr. W.A.L. Beeren. Text (in Dutch, French and German) by Els Barents. Includes biographical information, exhibition history and a checklist of the exhibition. 84 pp., with 30 four-color plates, beautifully printed by Mart. Spruijt bv, Amsterdam.
Published on the occasion of the 1989-1990 exhibition Thomas Ruff: Portretten Huizen Sterren at the Stedelijk Museum Amsterdam (also traveled to Grenoble and Zürich).

Text: Barents Els. cm 23,5×30; pp. 84; COL; paperback. Publisher: Stedelijk Museum, Amsterdam, 1990.


Foto's als vraagtekens
Hans den Hartog Jager
23 februari 2012

Porno, daar gaat het allemaal om. Het duurt even voor je het beseft, maar dan komt de klap des te harder aan, in het Haus der Kunst in München: voor de Duitse kunstenaar Thomas Ruff is het maken van een foto net zoiets als het vervaardigen van porno. Voor alle zekerheid: wie hoopt dat dit stuk nu verder gaat over prikkeling en seks en geilheid (mede gestimuleerd door Ruffs nudes-serie, waarvoor hij zeer expliciete pornografische foto’s van internet zo bewerkte dat al die handelingen verdwijnen achter een waas van pixels) moet ik teleurstellen – geilheid interesseert Ruff namelijk maar marginaal. Wat wel: dat fotografie je net als porno, een wereld voorschotelt die ergens geworteld lijkt in de werkelijkheid, die bereikbaar zou kunnen zijn, mogelijk zelfs echt, maar die je, desondanks, zelf nooit zult ervaren.

Je zou dat zelfs een kernprobleem van de fotografie kunnen noemen (ooit al prachtig beschreven door Susan Sontag): dat elke foto, simpelweg door het feit dat ie wordt gemaakt, de werkelijkheid esthetiseert, optilt, verbijzondert. Daar is op zich weinig bezwaar tegen, zo lang je als toeschouwer dat mechanisme maar doorziet.

Maar dat is het probleem: juist doordat we zo vaak met zo veel foto’s om de oren worden geslagen, zijn we steeds meer geneigd te denken dat er ergens in die esthetisering een kern van waarheid zit (net zoals je, door lang in interieurbladen te kijken denkt dat jouw huiskamer met die specifieke bank ook al bijna design is). En daar komt Ruff weer om de hoek kijken: hij heeft als fotograaf zo z’n twijfels bij de stille conventies van zijn vak, bij het esthetiseren, de suggestie van uniciteit. Tegelijk is Ruff geen moralist: hij wil dat esthetiseren niet veroordelen, hij toont vooral hoe het werkt en stelt er vragen bij, om de toeschouwer uit die lome schommeling van de beeldenvloed te sleuren. Om ons opnieuw op scherp te zetten. Beter te kijken.

Dat is ook meteen het intrigerende aan het grote Ruff-overzicht in München: de spanning, de twijfel die Ruff altijd heeft gehad over zijn eigen medium wordt er prachtig zichtbaar. Thomas Ruff (1958) begon zijn carrière als leerling van het beroemde fotografenduo Bernd en Hilla Becher met twee voor hem (en zijn leermeesters) typerende series. Zowel in ‘Häuser’ als ‘Porträts’ probeerde hij de huizen en de gezichten van mensen zo objectief mogelijk vast te leggen. Vooral de portretten-serie werd legendarisch: Ruff regisseerde zijn modellen zo dat alle expressie, alle emotie, ieder lachje van hun gezicht verdween en er van hun hoofden niets anders overbleef dan ‘gipsen bustes’ – waar hij opvallend vaak in slaagde. Maar juist doordat je als toeschouwer niet gewend bent om in het gezicht van een ander (onder wie overigens ook Stedelijk-conservator Leontine Coelewij, die nu door heel München hangt te pronken als de Mona Lisa van de tentoonstelling) helemaal niets te kunnen lezen, word je nog sterker geprikkeld je tot deze ‘koppen’ te verhouden. Om iets in ze te projecteren.

Al snel maakt Ruff echter een inhoudelijke omslag: vanaf het begin van de jaren negentig gaat hij steeds vaker onderwerpen verbeelden die in het normale leven ‘ongezien blijven’ – en die hij dus, uit de aard van de zaak, niet met z’n eigen camera kan vastleggen. Ruff wordt steeds meer een appropriation photographer: een kunstenaar die zijn beelden niet per se zelf hoeft te maken, maar wiens werk er vooral uit bestaat foto’s van anderen uit te kiezen en eventueel naar eigen inzicht te bewerken – om de beelden op die manier zichtbaar te maken, zijn toeschouwers om de oren te slaan met gecompliceerde werkelijkheden die anders buiten hun zicht zouden blijven. Zo bouwt Ruff al vroeg een opmerkelijke fascinatie op voor foto’s van de ruimte. Prachtig zijn de enorme, zeer precieze zwart-witafbeeldingen van sterrenhemels (waarvoor hij originelen gebruikt van het European Southern Observatory) – grote diepzwarte vlakken met uiterst geconcentreerde witte puntjes en nevels – ons sterrenstelsel. De afgelopen jaren voegt hij daar onder andere foto’s van Mars (gemaakt door de NASA) aan toe en foto’s die werden gemaakt door de ruimtesonde Cassini. De kracht van deze werken zit ’m precies in de onzekerheid waarmee Ruff je slaat: ze zijn prachtig, je weet dat ze zijn geworteld in de werkelijkheid, maar je komt niet te weten in hoeverre hij ze heeft gemanipuleerd. Hoe mooi ze ook zijn, je kunt er niet werkelijk van genieten – je voelt je vooral verloren en op het verkeerde been gezet. Waar kijk ik eigenlijk naar?

Waar houdt de werkelijkheid op? Wie Ruffs hemelfoto’s ziet kan zich ineens goed voorstellen dat er mensen zijn die geloven dat de maanlanding van 1969 nooit heeft plaatsgevonden en de beelden allemaal in scène zijn gezet. Noem het ruimteporno.

Iets soortgelijks geldt op een veel subtielere manier voor de zogenaamde jpeg-serie, waar Ruff vanaf 2004 aan werkt. Hiervoor gaat hij appropriaton-technisch nog een stap verder: hij haalt simpelweg foto’s, suggestieve foto’s, mooie foto’s, van anderen van internet. Die blaast hij zover op dat ze uiteenvallen in grove pixelblokken – neem je als toeschouwer genoeg afstand (wat in de immense grote zaal van het Haus der Kunst geweldig kan), dan vloeien ze langzaam weer tot een beeld ineen. Op die manier stelt Ruff opnieuw de grenzen van de beeldbeheersing aan de kaak: wat is eigenlijk de betekenis van een foto op internet, die enorme beeldenvloed waar foto’s niet eens meer in materiële vorm bestaan, maar alleen nog maar simpele blokkendozen zijn die je op willekeurig welke manier in elkaar kunt zetten?

Zo beschreven lijkt Ruffs werk misschien vrij deconstructivistisch en theoretisch, maar het bijzondere is dat hij je, ondanks dit besef, telkens weet te verleiden. Een bezoek aan deze tentoonstelling is als een voortdurende confrontatie met de grondslagen van de fotografie. Waar kijk ik in vredesnaam naar? Wat betekent het? En als ik dit mooi vind, wát vind ik dan mooi?

Precies in die verwarring, in die bijna oneindige opeenstapeling van gedachten en emoties weet Ruff zijn doel perfect te bereiken. Gescherpt, geprikkeld maar ook een tikje verward ga je na afloop weer naar buiten. Zou je deze beelden ooit zelf kunnen vinden?

Thomas Ruff. T/m 20 mei in Haus der Kunst, Prinzregentenstrasse 1, München. Inl. www.hausderkunst.de

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 23 februari 2012