vrijdag 20 juli 2018

Views & Reviews Wonderful World of Football No Mundo Maravilhoso do Futebol Julian Germain Photography


No Mundo Maravilhoso do Futebol: Wonderful World of Football
Germain, Julian / Godoy, Murilo / Azevedo, Patricia
ISBN 10: 9075574126 / ISBN 13: 9789075574128
Edité par Basalt Publishers, Amsterdam, 1998
The wonderful world of football, photographs taken by children at Favela do Cascalho in Brazil. Texts in English and Portuguese.

See also

The First the One the Only Panini Mexico 70 FIFA 1970 World Cup sticker album the Becher Approach Photography

Oog voor eenvoud
Voor Julian Germain is fotografie de enige kunstvorm die het beste tot zijn recht komt in een boek of tijdschrift....

Rutger Pontzen 31 december 2002, 0:00
Alleen al de openingszin is fenomenaal: 'Ik ben geboren op 25 september 1962, de dag dat Ipswich Town voor de Europa Cup met 10-0 won van Floriana uit Malta.' Soccer Wonderland, van de Engelse fotograaf Julian Germain, is een ode aan het voetbal. Niet zoals we dat kennen van de televisie, maar door de passie van iedereen die erbij betrokken is.

Het boek zit vol met plakplaatjes van voetballers, en zwart-witte snapshots van duikende, zwevende en reddende doelmannen, uit de tijd dat de doelpalen nog vierkant waren. Foto's van die typische Engelse stadions, ingebouwd tussen kolenmijnen en rangeerterreinen. Dia's van jongetjes met veel te dunne benen, poserend met de voet op een bal. En de uitgetypte opstellingen van Ipswich Town en Aston Villa voor de wedstrijd op 28 april 1962 (die Ipswich won met 2-0; beide doelpunten van de legendarische Ray Crawford). Prachtig is ook de foto van een vrouw die het gras maait met een grasmaaier in de kleuren van Sunderland: rood-wit.

Germain begon aan het project in 1995, maar het boek was er nooit geweest als hij niet naar zijn vrouw zou hebben geluisterd. De fotograaf kan er nog steeds om lachen. 'In de jaren tachtig maakte ik foto's van allerlei maatschappelijke misstanden, werkloosheid, stakingen, armoede. Ik dacht zelf dat er altijd wel wat humor in zat, maar mijn vrouw zag dat anders. Haar advies was om eens iets met voetbal te doen, omdat ik daar altijd zo geobsedeerd door was. Toen ben ik met de FA Cup begonnen.'

Een gelukkige keuze. Germain volgde alle wedstrijden van het Engelse bekertoernooi, van de eerste kwalificatierondes, tussen de laagste amateurclubs, in afgelegen stadions voor een publiek van dertig man, tot aan de finale op Wembley. 'Het is, naast het toernooi om het wereldkampioenschap, de mooiste competitie ter wereld. Veel leuker dan de Premier League. Omdat het de amateurelftallen vanaf de derde ronde in staat stelt te spelen tegen topclubs als Manchester United en Liverpool. De zondag van die derde ronde is het hoogtepunt van het seizoen.'

Die liefde straalt uit het hele boek. Tot in elk detail. Met de nadruk op de volkse beleving, het publiek dat joelend de sjaaltjes in de lucht steekt. Zonder het detonerende hooliganisme, overigens. 'Nee, dat heb ik niet gefotografeerd. Hooligans horen niet bij het spel. Ik wilde een ode aan het spel geven. Iets moois.' De fotografie van Julian Germain heeft veel weg van wat Hans van der Meer ('een goede vriend') en Hans Aarsman in Nederland maken, met hun oog voor de romantiek van de losse veter. De heroiek van het modderveld, waarop tijdens de vroege zaterdagochtend Quick Boys 2 tegen DVS 3 speelt. En de keeper zijn alcoholische roes staat uit te slapen tegen een van de doelpalen.

Dat Germain later in Brazilië heeft gewerkt, het voetballand bij uitstek, kan dan ook nauwelijks toeval zijn. Door twee collega's - Murilo Godoy en Patricia Azevedo - belandde hij in Belo Horizonte, in het zuidoosten van Brazilië. Die prachtige Portugese naam kan niet verbloemen dat de stad een poel van armoede is. In de krottenwijk Morro do Cascallo, zetten de drie fotografen projecten op voor kinderen en streetgangs, waaronder een over voetbal. De kinderen mochten zelf fotograferen, met goedkope camera's.

Germain: 'Andere collega's raadden het ons af: de kinderen zouden de camera's stelen en verkopen. Hoe konden we zoiets stoms doen. Maar we gaven ze geen dure toestellen. Dat zou ook veel te gevaarlijk voor henzelf zijn.'

Ondanks alle kritiek leverde het project prachtig beeldmateriaal op. Foto's over de passie voor voetbal die door geen enkele professional ooit gemaakt hadden kunnen worden. Het merendeel out of focus, onderbelicht en met rare glimlichtjes, maar daardoor niet minder beeldend. Integendeel, juist het amateurisme geeft het gevoel midden in de Braziliaanse voetbalgekte te staan.

Een keuze uit het materiaal verscheen in het boek No mundo maravilhoso do futebol (Geen wereld zo schitterend als voetbal), voorzien van door de kinderen geschreven teksten. De foto's waren erg gewild, herinnert Germain zich, vooral tijdens het wereldkampioenschap van 1998. 'Overal zijn ze gepubliceerd, in l'Express, het magazine van The Independent en in Het Parool. Het geld dat we ermee hebben verdiend, is besteed aan de bouw van een buurthuis. Dat hadden ze daar niet eens.'

Fotopublicaties zijn volgens Germain altijd beter dan tentoonstellingen. 'Fotografie is de enige kunstvorm, die het best werkt in een boek of tijdschrift. Tentoonstellingen zijn van voorbijgaande aard. Boeken niet. Die kun je na tien jaar nog eens inkijken.' De moeilijkheid is alleen, zo ervaart hij keer op keer, om zijn publicaties gefinancierd te krijgen. Veel van zijn projecten blijven op de plank liggen, in afwachting van geld.

Zoals de serie For every minute you are angry you lose sixty seconds of happiness, over Charles Albert Lucien Snelling. Germain ontmoette de gepensioneerde glasblazer/winkelier in 1992 in Portsmouth, terwijl hij wat rondscharrelde bij het voetbalstadion. 'Ik woonde destijds in Londen. Deed veel commercieel werk. Misschien wel dat ik me daarom tot hem aangetrokken voelde: Charlie was in alles het tegendeel van het leven dat ik toen leidde.'

Germain maakte gebruik van de albums van zijn hoofdpersoon, de kiekjes van zijn overleden vrouw en van de foto's die hij zelf maakte van Charlie, waardoor een inside story in beelden ontstond. Met veel oog voor samenhang: het behang in de woonkamer, de kleine tuin achter het huis, Charlie's driewiel-auto en de kaartjes die de weduwenaar achter het raam plaatste als hij op pad was ('Gone to Elm Grove Road for insurance; back in 20 minutes').

In het onderwerp legde Germain dezelfde passie als in zijn eerdere voetbalfoto's. 'Ik ging drie, vier keer per jaar naar Portsmouth. Stuurde Charlie brieven en kaarten met Kerstmis. Je raakt op een gegeven moment verweven met je onderwerp. Het leven is soms zo ingewikkeld. Dan is het goed om iemand tegen te komen die zo'n eenvoudig bestaan heeft. Die geen belangstelling had voor het materiële en gewoon gelukkig was in zijn tuintje. Het werkte als een therapie.'

De maat der dingen is de bal; Fotoboek over jonge voetballers in de 'favela'
Julian Germain, Murilo Godoy, Patricia Azevedo: No mundo maravilhoso do Futebol. Basalt Publishers Amsterdam, 120 blz. ISBN 90-75574-12-6

Hubert Smeets
12 juni 1998

In de Braziliaanse sloppenwijken draait het bestaan om voetbal. De bewoners van de 'favela' hebben het adagium van voormalig Liverpool-coach Bill Shankly al lang geleden aangepast. Voor hen is voetbal niet 'een bijzaak, zij het de belangrijkste bijzaak' in het leven, zoals Shankly ooit proclameerde. Nee, voor hen is het simpelweg de hoofdzaak.

Het is een cliché dat telkens van stal wordt gehaald als er wereldkampioenschappen voetbal in aantocht zijn. Niet alleen omdat de Brazilianen nu al ruim veertig jaar favoriet zijn voor de titel, een status die gesymboliseerd wordt door emancipatoire namen als Pele, Garrincha, Socrates, Tostao, Romario of Ronaldo. Het cliché contrasteert ook mooi met onze eigen helden die, op een enkele uitzondering na, allemaal representanten zijn geworden van de burgerlijke middenklasse. Geen groter verschil bijvoorbeeld dan tussen de jongetjes in de bidonville Cascalho van Belo Horizonte en die in de Amsterdam-Arena.

Voor de jonge Brazilianen is voetbal een heimelijke vorm van bevrijding. Hun voetbalclub Grajau Esporte Clube is niet aan de beurs genoteerd. Hun veld is niet door sponsors gefinancierd. Sterker, toen een Braziliaanse collega van HBG er - op Goede Vrijdag notabene - een muur dwars overheen wilde bouwen, hebben ze die eigenhandig afgebroken: 'een belangrijk moment in hun geschiedenis'.

Hier krijgen de jongetjes daarentegen elk jaar een nieuw shirtje als pyjama en een petje dan wel sjaal, ze hoeven er niet eens lief voor te zijn. Hier is het afscheid van het nationale team in het Ajax-stadion een geseculariseerde EO-landdag. Hier beleven we alleen nog 'historische momenten' in het groot, als de echte clubs iets presteren, en nauwelijks meer in het reguleerde vereniginsleven van JOS.

Het is een kwestie van cultuur en economie. Van cultuur omdat in Nederland voetbal sinds een kwart eeuw 'high' noch 'low culture' meer is maar 'broad culture'. Van economie omdat in Brazilië voetbal dé mogelijkheid is om je te ontworstelen aan de denivellering. Hier wordt op alles BTW geheven, daar niet. Tot zover is er niets nieuws aan de hand.

Anders wordt het echter als je de jongens en meisjes uit de 'favela' Cascalho bij Belo Horizonte niet de vraag voorhoudt of God rond is, maar hun eigen ondermaanse bestaan gewoon laat verbeelden. Julian Germain, Murilo Godoy en Patricia Azevedo hebben dat gedaan. Ze hebben 41 jongens en 9 meisjes tussen 8 en 14 jaar een veredelde Agfa-klak gegeven plus maximaal vijf rolletjes en vervolgens papier en krijt. Eerst schieten en dan tekenen, was de opdracht. Het resultaat is een bij tijd en wijle ontroerend boek over voetbal en voetballers in de 'favela', kortom over het leven. Scherp zijn de beelden niet. Sluitersnelheid, diafragma en het tempo van het spel sporen vaker niet dan wel. Compositie ontberen de foto's al helemaal. Soms is de maat der dingen, de bal, zelfs volledig zoek. Maar als de bal wel zichtbaar is, is er geen ontkomen aan: daarom draait het, bij het partijtje en daarna.

Toch is er een bezwaar denkbaar. Zo'n esthetisch doordacht en ook nog eens in Nederland gemaakt boek kan de verkeerde mensen op de verkeerde ideeën brengen. Bijvoorbeeld om een retourtje Belo Horizonte te boeken en daar met jeudcontracten te gaan strooien. Voor de verheffing van de individuele gelukkigen is dat misschien mooi, voor de gemeenschap is het minder aanlokkelijk. Want in de favelo van Brazilië is de verlossing door de bal een collectieve droom. In de arena van Amsterdam is het inmiddels een realiseerbare wens.












donderdag 19 juli 2018

Definitive Photographic Tale of Mediterranean Summer Love AN ITALIAN SUMMER Claude Nori Photography


AN ITALIAN SUMMER / Claude Nori
2001, Zurich, 195 pages, 253 x 320 x 30

"With its evocative images, this book immerses us in a world of dolce vita, the joy and beauty of Italian holidays- an atmosphere filled with young girls' laughter, stifling heat, the sounds of crashing surf and the playful cat-and-mouse games of the sexes...With his concentrated, atmospheric images, which bear the imprint of a fascinated, passionate observer, Claude Nori succeeds masterfully in capturing that mixture of Mediterranean lifestyle and carefree holiday spirit that awakens memories and longings in us all."-the publisher.

See also On the Beach Swimwear :















dinsdag 17 juli 2018

Views & Reviews The World in a Calendar Jan van Toorn Graphic Design Photography


Rick Poynor | Essays
Jan van Toorn: The World in a Calendar

Cover of the 1972/73 “People calendar” for Mart.Spruijt. Designed by Jan van Toorn

Jan van Toorn’s calendar for 1972/73, designed for the Dutch printer Mart.Spruijt, is one of the most extraordinary and provocative graphic artifacts of its era. The calendar proposed a new form of engagement for the graphic designer as a mediator and manipulator of photographic meaning. The project still looks utterly remarkable 40 years later. How did such an uncompromising object get made? In collaboration with the designer Simon Davies, I published the piece in its entirety in Jan van Toorn: Critical Practice, my monograph about Van Toorn. Until then the Dutch designer’s masterpiece was known by just a handful of frequently reproduced pages. Now Mark Schalken at de Ruimte, a design company in Amsterdam, has photographed and reprinted the entire calendar — it was launched at a public event to mark the designer’s 80th birthday — giving a chance to experience its 50 pages at their original scale.

The reprint comes with a detachable folding-poster essay by Els Kuijpers, a design writer who collaborates regularly with Van Toorn. There are 800 copies in Dutch and 200 with an English translation. Kuijpers does a thorough job of explaining the ideas — the epic theater of Bertolt Brecht; Hans Magnus Enzensberger’s “Building Blocks for a Theory of Media” — that lie behind the calendar, though I suspect she attributes a greater degree of theoretical sophistication to Van Toorn in 1972 than was really the case. (See also the discussion of intellectual influences on his thinking in my book). Yet the knotty character and intractable demands of the object itself remain somehow elusive. We aren’t told much in the essay about what the calendar contains, or how it works as a sequence of pages. Van Toorn employs only photographs for his visual essay. The calendar has no text, no slogans and provides no explanation of what it shows. Many of the people seen in the photomontages are anonymous members of the public, but others are (or were) public figures who will mean little or nothing to contemporary viewers without some elucidation. Only in a few cases does Van Toorn keep the original caption where a picture came from a newspaper or magazine.

Page 5, May/June 1972. Women of Amsterdam

He organizes his piles of photographs of people by category. The calendar, which begins and ends mid-year, might not be encyclopedic, but in its relentless accumulation of visual evidence it feels like an attempt to delineate the totality of western life. The picture categories include pages of ordinary men and women (specially shot by his assistant Geertjan Dusseljee); couples: children; glamorous media images of women; a French actress (Jeanne Moreau); softcore pin-ups; hair models; underwear models; celebrities (John Lennon, Liz Taylor, Frank Sinatra, Buckminster Fuller, TV interviewer David Frost); politicians (Israeli Prime Minister Golda Meir, West German Chancellor Willi Brandt, Bernadette Devlin, a radical Northern Irish MP); clergymen; crowd scenes; protesters: marching soldiers; participants in incidents of atrocity; and a fugitive American activist (Angela Davis). Source hunting has been established for many years in art history as a tool for better understanding paintings and collages that make use of existing images. The 1972/73 calendar would require a virtuosic feat of research to pin down its hundreds of sources in ephemeral publications.

Van Toorn cuts these figures out roughly, pasting them down as if assembling a scrapbook of references. Some pieces he places in a fairly regular grid, though usually with overlaps and disruptions; other pages have a more scattered or dynamic construction. While the primary purpose is not aesthetic, much of the calendar’s impact comes from the variety and play of compositions, the vigorous massing of elements within the page, and the control of negative space. Van Toorn’s skills as an editorial collagist, developed in the 1960s in the first phase of his career, here reach their zenith: he had found himself and would be a different designer from this point. The roughly chopped images grind against the belligerent Block Extra Condensed he uses for the numerals at the bottom or sometimes top of the page.

Page 8, June, 1972. Glamor

Page 9, June 1972. Jeanne Moreau

Page 13, July 1972. Politicians

Page 16, August 1972. Bengali guerrillas killing prisoners in Dacca, 1971

Page 24, October 1972. Angela Davis

Page 25, October 1972. Protesters

Page 43, February 1973. Advertising

Every page poses questions about the relationships between the photos: why these pictures in this configuration? Can photographs be trusted to represent reality? Who decides what pictures we see and to what purpose? Here, the designer takes full responsibility by drawing attention to his role — but more than this, his agenda — as a producer of meaning, and foregrounding his own interventions. Additional questions arise in the developing narrative, as the weeks go by, from page to page. The sequence cuts back and forth, seemingly without pattern, between four main categories of image, representing everyday life, the political sphere, military engagement, and the media and advertising. Its dialectical method is signalled on the cover (top) and following page: first a circle isolates the face of President Richard Nixon, and then it isolates the face of an unknown man in a crowd. The equivalence in presentation of these images — this week citizens like the viewer, next week a film star, later an execution — thrusts the spectator back into the picture. The calendar provides material for inquiry, but no pat answers. Each viewer must decide what to make of its visual challenges and occasional shocks, and indeed the viewer remains one of the imponderables when talking about the calendar several decades later.

“[Van Toorn’s] project looks for that situation in which the viewer — not the mass but each viewer, equal but different — can find and rediscover himself or herself in the complexity of the everyday world on the basis of personal experience,” writes Kuijpers. That’s a large and perhaps not entirely realistic claim for a piece of print meant to function, at least notionally, as a printer’s promotional item. As a continuous daily presence on someone’s wall, the calendar was an audacious choice of delivery system by Van Toorn. It was the third in a challenging series, with several more calendars to follow until the printer had finally had enough of what he called the designer’s “Marxist thinking.” Yet we still might wonder how likely it was that a calendar could generate a high level of intellectual engagement by casual viewers, though it must surely have been a talking point.

Nevertheless, seen against its contemporary background — the war in Vietnam, student protests, Godard’s films, the counterculture, the New Left, feminism, Black Power, post-structuralism, Ways of Seeing — the calendar represents, and today vividly reconstitutes, a historical moment of idealism when it seemed imperative to disrupt, interrogate and expose the seamless elision of media spectacle and manipulative political reality. As Kuijpers concludes, Van Toorn’s method “is not deployed in the first instance to communicate this or that political message. On the contrary, the method politicizes the message. In the way it treats the subject matter.” This beautifully presented reprint resurrects a key example of graphic engagement from European design history that still has the power to prompt necesssary reflections on design and photography’s role.

See also:
Jan van Toorn: Arguing with Visual Means
Counter Points
Wim Crouwel: The Ghost in the Machine
Agency or Studio? The Dutch Design Dilemma

The reprinted calendar is available from de Ruimte, and from the Nijhof & Lee bookshop at Bijzondere Collecties in Amsterdam: English version / Dutch version.

Cover of the reprinted calendar, 2012. Designed by Mark Schalken of de Ruimte


Dwarse vormen
JAN VAN TOORN is sinds 1957 zelfstandig vormgever. Hij werkte van 1965 tot 1994 voor het Van Abbe Museum in Eindhoven. Van 1974 tot 1978 diende hij het Bureau Beeldende Kunst Buitenland van het ministerie van WVC. In 1976 verzorgde hij de vormgeving van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale in Venetië. In 1975 en 1976 maakte hij voor de VPRO-televisie grafische commentaren voor het programma Het gat van Nederland. Voor drukkerij Mart Spruijt maakte Van Toorn tussen 1960 en 1974 de befaamde kalenders, die hij zelf beschouwt als ‘visuele experimenten’. Tussen 1968 en 1985 doceerde hij regie op het gebied van grafisch ontwerpen op de Rietveld Academie in Amsterdam. Hij had een jaar lang een leerstoel op de afdeling Architectuur van de TU in Eindhoven en is sinds 1989 als docent verbonden aan de Rhode Island School of Design in Providence, USA. Bekendheid kreeg Jan van Toorn met de ontwerpen die hij maakte voor de PTT, waar hij tientallen jaren in dienst was.

door Rob van Erkelens

29 oktober 1997 – verschenen in nr. 44

Het werk van Van Toorn bestaat voor een groot deel uit praktische experimenten en kritisch onderzoek naar de betekenis en condities van de visuele productie binnen de socio-culturele context. De afgelopen zeven jaar gaf hij leiding aan de Jan van Eyck Akademie in Maastricht, een post-academische werkplaats met drie aandachtsvelden: beeldende kunst, ontwerpen en theorie.
Hoe bevlogen Van Toorn kan zijn over de theorie en de ideeëngeschiedenis van zijn vak, hoezeer hij de dialoog nodig heeft en zoekt naar kritische distantie, blijkt uit het vertoog dat hij afsteekt in zijn nieuwe huis in Amsterdam. De boeken zitten nog in dozen, hakken klakken door de lege ruimte, de glazen tikken luid tegen het tafelblad, Van Toorns stem weergalmt tegen de nog lege muren.

HOE KIJKT U terug op zeven jaar Jan van Eyck Akademie?
‘Eerst wilde ik er niet naar toe. Ik heb altijd les gegeven, één dag per week, met heel veel plezier. Tot de grote verschuivingen en beperkingen kwamen in het kunstonderwijs. Ik ben ten slotte naar de Rijksacademie gegaan. Dat viel me zeer tegen. Het was allemaal veel te vrijblijvend. Toen ben ik opgestapt.’

Als ontevreden mens?
'Ja. Ik had gedacht dat er bij kunstenaars meer behoefte zou zijn aan kritische distantie. Toen, in 1990, zeiden mensen uit Maastricht: hier komen nieuwe mogelijkheden. Ik heb, half serieus, op papier gezet wat ik zou willen met een nieuwe academie: een eigen staf benoemen en genoeg geld voor faciliteiten op het gebied van nieuwe media. Ontwerpen en beeldende kunst kwamen samen. Ik wilde drie velden: de autonome productie, de gebonden productie en de theorie. En die drie weer onder de paraplu van de publieke sfeer. Want behalve kunstenaar ben je ook burger, je hebt een publieke positie.
Een half jaar later had de minister alles toegezegd wat ik had gevraagd.
Wat we willen is verdieping geven aan hoe je, ook vanuit je eigen vak, met de wereld omgaat. Je ziet dat de ontwerper in het algemeen zich bedient van ofwel verouderde ficties, of zeer vulgaire ficties. Overtuigingen en ideeën die niet meer passen in de sterk veranderde maatschappij waarin we nu leven. De visuele cultuur van deze tijd is een totaal andere dan die van vroeger.’

Zijn beeldende kunst en design daarom aan een herdefiniëring toe?
'Ik denk het wel. De oude ficties zijn uitgehold. Zoals ik ben opgeleid, net na de Tweede Wereldoorlog, zo worden ontwerpers nog steeds opgeleid. Dat slaat helemaal nergens op. Want de maatschappij waarin je werkt, de productieomstandigheden, de condities, die zijn totaal veranderd.
In de jaren zestig, toen we Enzensberger lazen en Brecht herlazen, toen hielden we ons daarmee bezig. Eind jaren vijftig, begin zestig heerste de braafheid van Haanstra. Dat was een verschrikkelijke tijd. Vol clichés. Vol verschrikkelijke Koude Oorlog-platitudes. Dat ging langzaam over, gedurende de jaren zestig.
Als je de geschiedenis van de PTT bekijkt, waarvoor ik lang heb gewerkt, dan zie je dat voor de Tweede Wereldoorlog de christen-democratische leiding wilde dat de architectuur, de beeldende discipline van de publieke diensten, méér zou zijn dan alleen een publieke dienst. Hij diende ook om de bevolking iets bij te brengen, om haar op te voeden. Die vorm van gelouterde utopie vind je na de oorlog terug. Er vindt industrialisatie plaats. De patriarchale trekken van al die instellingen worden sterker, net als de commerciële. De jaren zestig zijn de tijd van het verzet tegen het patriarchale karakter van publieke diensten.
Er ontwikkelde zich een internationale stijl: al die beeldende middelen en mogelijkheden werden gebruikt door maatschappelijke organisaties, die door middel van vorm veel greep krijgen op het uiterlijk van de wereld. De ontwerper heeft de functie om verleiding te creëren, om het product aan te prijzen, de consument te verlokken. De productie blijft aan de gang door de informatie die de ontwerper in dienst van de opdrachtgever het publiek geeft. Je kunt spreken van ideeënproductie. Het virtuele element in de visuele communicatie. Maar ondertussen wordt de ruimte tussen het product en de vorm steeds groter. Ook, vooral, in de media.
In de jaren zestig ontlaadt zich het verzet. Het beeld dat van de wereld werd geschapen paste niet meer op hoe het in werkelijkheid zat. Naar mijn gevoel is het op dat moment dat het design zich steeds meer gaat aanpassen. Aan de consumptiemaatschappij, aan de mediamaatschappij, aan de globalisering die dan op gang komt.’

HOE KAN HET design dan vermijden dat het zich in dienst stelt van de markt, van de consumptiemaatschappij?
'Neem iemand als Willem Sandberg. Dat is iemand die voor mij altijd heel helder is geweest, ook in de manier waarop hij heeft genavigeerd. Sandberg heeft altijd gestreefd naar een soort, laten we het noemen, culturele ruimte ten opzichte van het bestaande - in zijn ontwerpen zowel als als museumdirecteur. Hij zocht naar een culturele marginaliteit, een ruimte in je hoofd waardoor je de kritische distantie die je hebt ten opzichte van de maatschappelijke verhoudingen, ook in je werk kunt laten spreken. Dat is verloren gegaan, denk ik, na de jaren zestig. Meer en meer.’
En dan de jaren zeventig.
'Toename van de productie. Schaalvergroting. Postmodernisme. Er ontstaat een behoefte aan een veelheid aan identiteiten. Het publiek wordt divers. Daar zie je het geweldige succes van het ontwerpen: zowel in de organisatie van de productie als in de productie van identiteiten, culturele identiteiten. En tegelijk raakt het steeds meer los van de werkelijkheid. De retoriek neemt toe. Publiciteit wordt immens belangrijk. Kijk naar de politiek. En dat is de tijd waarin we nu leven.’
En de jaren tachtig?
'Die ontwikkelingen hebben zich verder doorgezet. Dat heeft allemaal te maken met de ontwikkeling van het kapitalisme, wat je toch radicaal mag noemen. Als je nu kijkt naar de reëel existerende democratie - in plaats van het reëel existerende socialisme -, wat is er dan van die hoop, die belofte van die democratie nog over?’

Nou?
'Niet zo gek veel. De huidige maatschappij bestaat uit een veelheid van oligarchieën en subsystemen, waar de politiek ook bij hoort.’

WAT IS DE functie van het design in die maatschappij? Is het niet de handlanger van het kapitalisme bij uitstek?
'Zonder meer. Maar dat zijn we allemaal. Even terug naar Sandberg en zijn mentale ruimte. Dat is voor mij altijd erg belangrijk gebleven: de marginaliteit, de mentale ruimte die je jezelf verschaft voor culturele productie. Als je die niet hebt, kun je alleen maar de optimale handlanger van het kapitalisme zijn.
Dat is waar ik in mijn afscheidssymposium naar wil zoeken. In de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk is die dwarsigheid ten opzichte van de maatschappij er nog. Daar zijn er nog pogingen om kritisch, subversief te zijn. Bijna overal elders buigt het design onder de enorme commerciële druk.
Ik voel die afwezigheid van subversiviteit als een groot gemis. Maar het leeft, en het begint steeds meer te leven, die oude traditie van de intellectueel die een kritische distantie heeft ten opzichte van het bestaande, om daarmee ruimte te creëren voor alternatieven.’

Die behoefte voelt u ook?
'Heel sterk. Wanneer je kijkt hoe de culturele productie plaatsvindt in de media, waarbij design een belangrijke rol speelt… Dat gebeurt zo kritiekloos dat de culturele betekenis ervan van een enorm grote vulgariteit en oppervlakkigheid is.’

HOE REAGEREN uw studenten op uw ideeën?
'Vorige week speelde zich een discussie af tussen een theoreticus en een beeldend kunstenaar. Die kunstenaar vond, zei hij, dat beeldende kunst in de eerste plaats een morele zaak is. Dan denk je: godverdomme, we zitten hier toch niet voor niks met z'n allen! Dat je met z'n allen zo ver komt, op basis van een grote onzekerheid, met twijfel als uitgangspunt voor de dialoog. Hij zei zelfs dat je als individu een missie hebt. Niet een missie voor de hele mensheid, maar in die zin dat als je iets maakt, je voor jezelf een bepaalde agenda hebt. Het was heel bijzonder. Ik zei: nu vind ik het toch verdomd jammer dat ik hier wegga.’
Is dat echt een kwestie van moraal? In deze tijd van ethiekloosheid, van lege esthetiek, gestileerde vorm zonder inhoud, botst dat toch? Hoe moet je als ontwerper, als kritisch ontwerper zoals u, te werk gaan in deze omstandigheden? Kun je anders dan je in dienst stellen van die vulgaire mechanismen van het kapitalisme?
'Sandberg weer: het bod van de opdrachtgever is altijd beperkt. Hij heeft een bepaald doel. Maar dat kun je oprekken, dat hoef je niet eens te bespreken. Kijk hoe architecten ermee omgaan. Je kunt meer ruimte creëren binnen de opdracht. Als je tenminste een meervoudige agenda hebt, die ook, laten we zeggen, maatschappelijk is, cultureel. Er zijn altijd elementen te introduceren in een project dat de ontwerper als opdracht aanneemt. Anders zou je bijvoorbeeld nooit tot een architectuur kunnen komen die een grotere betekenis heeft dan alleen maar die functionele. En daar gaat het om, die meervoudige agenda.’

Als ontwerper sluis je dus je creatieve vermogens en ideeën de opdracht in?
'En je ideologische achtergrond.’

Hoe doe je dat?
'Het kan niet in alle opdrachten. De clou is juist dat je herkent waar het wel kan. Maar die kwestie wordt nooit meer besproken. Er zijn generaties geweest die dat wél deden. Die praatten over de ontwerper, de architect als diplomaat, die een marge moest, en wilde, scheppen.
Neem Rem Koolhaas. Die geeft aan de opdracht altijd een soort slag, waardoor hij elementen introduceert die veel meer dimensies omvatten dan de opdracht alleen. Ik denk dat dat is wat de ontwerper weer bespreekbaar moet maken. De tactieken, de methoden om de ruimte te scheppen om te kunnen handelen. En dat heeft weer gevolgen voor de uitdrukkingsmiddelen, de vorm. Bij Koolhaas bestaat dat.’

EN VERDER? Is het niet zo dat alles in deze tijd zodanig op zijn amusementswaarde en zijn esthetische waarde wordt beoordeeld dat kritische vormen van ontwerpen nauwelijks nog bestaansrecht hebben?
'Nee, dat is niet waar. Ik was pas in Londen. Veel studenten daar hebben belangstelling voor juist dit soort zaken. Ik heb wat van mijn eigen werk laten zien. Een van mijn favoriete voorbeelden is de postzegel van Drees die ik heb gemaakt voor de PTT. Honderd jaar Drees moest gevierd worden met een postzegel. Ootje Oxenaar, hoofd esthetische dienst, had destijds geweigerd om naar Indonesië te gaan. Hij had daardoor als opdrachtgever een zekere distantie van Drees. Eerst vroeg ik me af: wat zijn de belangrijkste momenten in het politieke leven van Drees? Het koloniale probleem, de afwikkeling van Indonesië, schandalig natuurlijk. Maar ook de oudedagsvoorziening. Men wilde hem natuurlijk het liefst afbeelden in de traditie van Caesar en de koningin. Boven de partijen staande. Als een echte vader des vaderlands. Dat wilde ik niet. Ergens in mijn hoofd had ik het beeld van een afgebrande kampong. Dat heb ik ook gemaakt. Maar een afgebrande kampong als postzegel voor de honderdjarige Drees, dat kon natuurlijk niet.
Er bestaat een foto van Drees waarop hij in de duinen ligt. Hij kijkt in de verte als een echte vader des vaderlands. Die foto heb ik toen genomen. Ik heb er de kleuren van de coalitie in gebruikt, groente boerenletters erop… Een enigszins karikaturaal beeld. Dat kon óók niet. Je kon niet de minister-president liggend in de duinen afbeelden.’

Wat hebt u uiteindelijk gedaan?
'Een andere foto gepakt, waarop hij met zijn tas lopend op weg is naar de Tweede Kamer, voor de debatten over de oudedagsvoorziening, geloof ik. Daar heb ik een stuk van afgeknipt en toen heb ik er de kleuren van de coalitie aan toegevoegd, van Drees’ partij.’

Waar zat daar die ruimte, die marginale ruimte voor het subversieve?
'Ergens op dat spectrum tussen die platgebrande kampong en de vader des vaderlands. Het is niet veel, maar het is er altijd. In dit geval zit het ’m erin dat ik een formeel beeld informeel behandelde, door er een stuk af te knippen en er een niet-neutrale kleur aan toe te voegen.
Er is altijd een mogelijkheid, door de kwaliteit van de manier waarop je mensen afbeeldt. De lyriek kan het. Je kan zelfs zo ver gaan dat je je bijna verschuilt in de lyriek, maar toch voortdurend die oprispingen, zoals Heiner Müller ze noemde, toelaat, als verwijzingen naar de werkelijkheid.’

IS UW BEHOEFTE aan subversiviteit niet een verlangen dat verder gaat dan alleen het design?
'Natuurlijk. Er zou veel meer subversiviteit moeten wezen. Anders gaat het verkeerd, in die zin dat je dan praat over een samenleving die meer en meer fascistoïde trekken krijgt. Het zou toch te gek voor woorden zijn als we niet meer zouden proberen om een plek te creëren zoals we in Maastricht hebben gedaan, waar we elkaar herkennen op dat verlangen. Zonder dat we weten hoe dat precies moet, maar wel proberen het handen en voeten te geven. Om te proberen die ruimte te grijpen. En om te herkennen waar de kansen liggen om hem te gebruiken.’

In uw boekje bij het symposium citeert u Louise Sandhaus: 'Everything - yes, everything - around you has been designed! Thought of in these terms, designers are, in the basest of terms, the mediators of reality.’ Zijn jullie ontwerpers inderdaad de bemiddelaars die ons de werkelijkheid laten zien?
'Ja.’

En wij moeten maar geloven dat dat ook de werkelijkheid is?
'Ja. Of wij het nou doen of de kerk. Vroeger was het de kerk. In deze tijd is het vooral de bemiddeling, zoals ontwerpers, journalisten en tv-makers.’

Wat gaat u nu doen, na die zeven jaar Jan van Eyck Academie?
'Ontwerpen.’

44


Van Toorn maakt kortsluiting met details
Niets lijkt zo saai als cijferopstelling van een staatsbedrijf. Toch toont het jaarverslag van de PTT over 1972 een spannend beeld. Op de linkerpagina staat de ruw uitgeknipte foto van een directeur-generaal van het ministerie van Financiën. De smeulende sigaret tussen zijn lippen wijst naar de rechterpagina, waar de woorden en cijfers de kijker tegemoet stralen. Het is alsof de topambtenaar persoonlijk en met zwier de balansposten presenteert.

Karel Berkhout
30 april 2004

Het PTT-jaarverslag is vormgegeven door Jan van Toorn, een van de toonaangevende grafisch ontwerpers in Nederland. In de Rotterdamse Kunsthal is aan Van Toorn (1932) een overzichtstentoonstelling gewijd, die ruwweg de tweede helft van de 20ste eeuw beslaat. Aardewerken schaaltjes met bloemen markeren de beginjaren, toen hij overdag afbeeldingen moest aanbrengen op keramiek en 's avonds het ontwerpersvak leerde op de toenmalige kunstnijverheidschool. Foto's vol bloemen in het recente boek Cultiver notre jardin belichamen het heden, waarin Van Toorn opnamen digitaal bewerkt.

Van Toorns kalenders, affiches, jaarverslagen, boeken, kunsttijdschriften en postzegels bevatten haast altijd een detail dat een kortsluitinkje geeft bij het kijken. Een reclameboekwerk toont boven een foto van een telefooncentrale een rij witte pionnen met daartussen een zwarte pion. Op een kalenderpagina staan drie jaartallen geschreven door Albrecht Dürer: 1496 in de cijfers die wij nu kennen, 1494 nog in het middeleeuwse schrift, 1495 in een soort overgangsschrift. Op een affiche voor een expositie van Jan Dibbets is een foto van een zee doormidden geknipt en zijn de twee helften `verkeerd' tegen elkaar aangeplakt.

De storinkjes prikkelen de toeschouwer echt te kijken. Naar de telecommunicatieverbindingen van Philips, naar het tijdsverloop op de kalender van drukkerij Mart Spruijt, naar de openingstijden op het affiche voor het Van Abbe Museum. Dit sturen van de blik roept het woord `manipulatie' op, vooral doordat Van Toorn een citaat van Enzensberger heeft laten uitvergroten: ,,Ieder gebruik van media vereist manipulatie.'' Vormgeving is manipulatie, lijkt Van Toorn te willen zeggen.

Tegelijkertijd schudt Van Toorn de kijker wakker en is daarmee een kind van de jaren zestig, toen veel kunstenaars het publiek `bewust' wilden maken van de manipulatie. In een begeleidend essay vergelijkt kunsthistorica Els Kuijpers de vormgeving van Van Toorn met onder meer de films van Godard. Van Toorn plakte bijvoorbeeld in Cultiver notre jardin verschillende foto's van hetzelfde stukje tuin tegen elkaar, een techniek die volgens Kuiper lijkt op Godards split-screen-montage die de kijker laat kiezen tussen gelijkwaardige beelden op het bioscoopdoek.


Met zijn gewaagde montagetechniek en verspingende letters staat Van Toorn ver af van zijn vakgenoot Wim Crouwel, die vermaard is geworden met zijn rationele vormgeving. Dat verschil is op de tentoonstelling goed te zien. In `antwoord' op een kalender van Van Toorn, maakte Crouwel in 1974 een gelijkende maar strakkere kalender, met maar één lettertype tegen zes lettertypen bij Van Toorn. ,,Jouw typografie ontleent zijn kracht aan bewuste inkonsekwentheid'', schrijft Crouwel in een toelichting, ,,en drukt vaak een angst voor esthetiek uit''. Dat wil zeggen, voor esthetiek die de kijker verblindt. Want wie alleen maar mooie plaatjes ziet, houdt op met kijken.

Werkt de vormgeving van Van Toorn? Ja, zolang de teugels strak blijven. De anarchistische opmaak van het kunsttijdschrift Het Museumjournaal in de jaren zeventig doet de kijker nu vooral duizelen. Het jaarverslag van de gemeente Amsterdam uit 1965 daarentegen is een voltreffer met de tekorten die in een groot lettercorps zijn gedrukt en de foto van een centenbak, die én de financiële problemen én de Amsterdamse orgeldraaier oproept.

De opdrachten van overheden als de gemeente Amsterdam en van (semi)-overheidsbedrijven als de PTT zijn van cruciaal belang geweest voor de ontwikkeling van de Nederlandse vormgeving. Na de privatiseringen in de jaren tachtig verloor de vormgever veel vrijheid en werd hij meer op de handen gekeken door ,,design managers, communicatieadviseurs, technici en marketingstrategen''. De expositie laat van deze overgang helaas weinig zien. Wie echter zelf recente jaarverslagen inkijkt ziet vaak een cijferbrij, gelikte foto's en nietszeggende graphics. Prehistorie in vergelijking met Van Toorns PTT-jaarverslag uit 1972, waarin alleen de sigaret in de mond van de ambtenaar ouderwets oogt.

Tentoonstelling: Re: Jan van Toorn. Kunsthal, Museumpark, Westzeedijk 341, Rotterdam. T/m 20 juni. Tel. 010-4400301



zaterdag 14 juli 2018

Views & Reviews Furniture Bondage Melanie Bonajo Conceptual Photography


Melanie Bonajo, Furniture Bondage
By Loring Knoblauch / In Photobooks / July 23, 2013

JTF (just the facts): Published in 2009 by Kodoji Press (here). Softcover, 52 pages, with 17 color and 8 black and white images. The book also includes a list of model’s names and a short text by the artist. (Spread shots below.)

JTF (just the facts): Published in 2009 by Kodoji Press (here). Softcover, 52 pages, with 17 color and 8 black and white images. The book also includes a list of model’s names and a short text by the artist. (Spread shots below.)

Comments/Context: For the past several months, a vision of contemporary photography as a series of interlocked Venn diagrams has been percolating around in my head. The gist of this thinking is that to a greater and greater degree, we are seeing overlap between previously separate artistic mediums, creating intersections zones where multiple media are mixing in unexpected ways, all of which is then upended by the underlying digital revolution which affects nearly everything. While there is certainly some slower step evolution taking place inside the formal boundaries of the contemporary photography bubble (most of it driven by the ongoing absorption of digital thinking and tools), much of the most drastic artistic mutation that is twisting the medium is taking place in these nether edges, where the rules are looser and the traditions less solidified. To my eye, these radical combination areas are where much of the most creative action is taking place, and where we ought to be paying attention if we want to see where the medium is really going.

Melanie Bonajo’s Furniture Bondage series is just the kind of hybrid work I am interested in thinking more about. It brings together photography, sculpture, and performance in almost equal parts, the result being something a little of each but altogether new. Her photographs are images of staged constructions, where anonymous nude female models are tied up and otherwise bound and burdened with a dizzying array of mundane household objects. My first reaction to the works was that they were a little like the precariously balanced found object sculptures of Fischli & Weiss, but with the scaffolding of a human body added to the complex physics equation. With faces turned away or hidden by hair, the bodies become malleable objects, jammed into the space made by a desk chair, tied up with a phone cord, folded into an aluminum ladder, or bent into a wooden shelf unit. They act like center of gravity towers that hold the sculptures together, with any number of additional objects added on or perched on top. In this sense, the bodies are remarkably mute and inert, just one more limp sculptural object in a gathering of textures, colors, and jutting lines.

But if we step back and see these assemblages as performances, an entirely different reading of the works can take place. The female subjects are wrapped up and trapped by their possessions (the bondage motif), literally carrying the heavy load of their stuff. There is an innate physicality to what’s going on, a bearing of weight and a contorting of bodies. Without much imagination, these images can be easily connected to a long line of body-based performance artists, both those who explored the limits of the flesh and those who had a more direct feminist angle, the suffocating cleaning products, kitchen utensils, and laundry racks offering biting commentary on traditional gender roles.

And depending on our vantage point, we might simply characterize these works as straightforward photographic nudes, albeit with a conceptual feel. The material objects and additional items surround the sitters like a still life, a mountain of daily clutter giving context and implied narrative to the elegance of the nude form. The photographs might feel equally at home with the witty early 1970s conceptual experiments of William Wegman or Robert Cumming or at the end of a comprehensive nude retrospective, in visual dialogue with a Dada nude from Man Ray, a bondage nude from Araki, and an interrupted windowsill and coffee table nude from Friedlander.

I like the back and forth instability of this mixed media approach, the alchemy of borrowing from various aesthetic tool boxes. It allows for multiple readings of the imagery and multiple placements within different cultural and artistic frameworks, all with a freshness that only comes from deliberately coloring outside the lines. If we’re looking for the next set of photographic disruptions, I’m becoming increasingly convinced that they will come not from within, but from the external friction zones, where chaotic idea recombination like Melanie Bonajo’s is the norm.

Collector’s POV: Melanie Bonajo is represented by PPOW Gallery in New York (here), where this body of work was shown in 2009. Bonajo’s work has very little secondary market history, so gallery retail remains the best/only option for those collectors interested in following up.