zondag 2 augustus 2015

Vedettes Raymond Hains Nouveau Réalisme Incredibly Small PhotoBooks Paul Kooiker Erik Kessels Photography


Raymond Hains

Edité par agnès b., 2001
ISBN 10: 2906496375 / ISBN 13: 9782906496378

The French artist Raymond Hains, who has died aged 78, was a founder of the Nouveau Réalisme move ment in the early 1960s. Anything but a realist in the conventional sense, he was an affichiste, creating vibrant, provocative collages from layers of torn posters. Although less celebrated than his flamboyant comrade Yves Klein, he anticipated the appropriation of mass media by Pop artists in Britain and America, and exhibited with such international figures as Christo, Jasper Johns and Robert Rauschenberg.

Born in the Breton town of St-Brieuc, Hains joined the art school at nearby Rennes when he was 18. While studying sculpture, he was, in fact, far more interested in his Kodak camera, which he used to record the devastation of Dinard towards the end of the war. Soon afterwards he left for Paris, where, in October 1945, he began his apprenticeship with Emmanuel Sougez, a photographer for the magazine France Illustration.
Much of his early work used procedures adapted from prewar Dada and surrealism: hypnagogic abstract photographs (often made with distorting mirrors) and short movies recording the walks around Paris on which he collected strips of posters for his collages.
As early as 1949, Hains was asso ciated with Jacques de la Villeglé, whom he had met as a student in Rennes. Some times the pair gave their works overtly political titles, as in Hains's Peace in Algeria (1956), shown at Colette Allendy's gallery in Paris, in the exhibition Law of 29 July 1881 - a reference to an infamous decree that restricted press freedom uring the French third republic. Often the names were stupefyingly blank: their first collaboration, for example, was simply called M.
The two saw themselves as challenging the subjectivity and self-indulgence of the American action painters Jackson Pollock and Willem De Kooning, as well as their French equivalents in the Art Informel movement. Indeed, Hains once called himself an "inaction painter", resolutely opposed to the "emptiness" of abstract expressionism.
Some of his collages recall the textures and patterns of his sup posed artistic foes. In 1957, the critic Edmond Humeau described them as having a "hit and run lyricism", and a few were even entitled Nymphéas (Water Lilies), in ironic homage to Monet's most sensual paintings. Generally, the fragments of posters are extremely impersonal, found on the streets rather than created in the studio - as Hains put it: "My works existed before me, but nobody had seen them, because they were blindingly obvious."
Some commentators have tried to relate Hains's ideas to the concept of the "death of the author" proposed by the post-structuralist thinker Roland Barthes. However, it would be more accurate to link affichisme with the surrealist aim of raising everyday life to a higher reality. According to Villeglé, Hains sought to transform the mundane into art: "The picture should not be considered as a world in itself, but the world itself should be seen as a picture."
In their opposition to abstract painting, Hains and Villeglé were united with contemporaries in France and Italy - especially with the collagist Mimmo Rotella, who also went around ripping billboards - and in October 1960 they participated in the first of several Nouveau Réaliste exhibitions, organised at the Apollinaire gallery, Milan, by the critic Pierre Restany. In 1962, another display of New Realism, at the Sidney Janis Gallery, New York, featured local artists, including Jim Dine, Andy Warhol and Claes Oldenburg.
Just as the Americans' sculptures celebrated the beauty of household tools, cans of soup and the Danish pastry, Hains glorified the matchbox in monumental painted reliefs. These were displayed in 1965 at the Parisian gallery of Iris Clert, partly as a reference to the dealer's nickname, "la brune incendiaire". She added to the joke by employing firemen to guard the exhibition.
Visual and verbal gags remained key components of Hains's works during the 1970s and 80s. Indeed, he relished the fact that the French title for his poster-clad hoardings - la palissade - puns with the word for truism. Similar humour lay behind Well Read, Badly Read or the Code of the Little Butter Biscuit LU, a 1983 painting based on the pattern formed by a computerised bar code: here the brand name is also the past participle of the verb "to read".
In his later years Hains continued to develop the affichiste techniques that had become his trademark. At the 1997 Kassel Documenta exhibition, he even returned his lacerated posters to their original urban setting by festooning them along the Treppenstrasse underpass. Elsewhere he constructed quirky virtual collages out of images from the world wide web. His Macintoshages of 1999 combined prints and paintings of Archduchess Margaret of Austria, 16th-century regent of the Netherlands, with photographs of street signs and a parrot, presented as if displayed on a screen. Although lacking in historical rigour, they vividly capture the banal profusion of the internet.
For all his innovations, Hains was most happy roaming around Paris with a camera. Towards the end of his life, he produced spectacular photographs recording a city transfigured by its ephemera - Michelin men gesturing from scaffolds on the Avenue de l'Opéra, or the courtyard of the Louvre choked with hosepipes. A charismatic, sociable yet highly private man, he divided his last 30 years between Nice and Paris.
· Raymond Hains, artist, born November 9 1926; died October 28 2005

Prettige anarchie uit Frankrijk

In het Van Abbemuseum zijn werken te zien van regionale Franse kunstinstellingen. Door jong aan te kopen, bezitten deze ‘Fracs’ een prachtige collectie vroege werken van kunstenaars die nu grote namen zijn.


De grote zomertentoonstelling in het Van Abbemuseum in Eindhoven heet A Republic of Art – en die titel, daar is iets mee. Op het eerste gezicht past die namelijk perfect bij de grote sociale ambities die het Van Abbe er al jaren op nahoudt. ‘Een republiek van kunst’, dat suggereert een plek waar kunst de macht heeft overgenomen, een maatschappij waar kunst de leidraad is, een enclave misschien wel, waar kunstenaars de kans krijgen een nieuwe, socialere, zeg maar gerust betere wereld te scheppen, precies zoals ze dat in het Van Abbe graag zien. Zoals het museum zichzelf misschien wel ziet.

Maar niks daarvan.

A Republic of Art
T/m 4 okt in het Van Abbemuseum, Eindhoven. Inl: vanabbemuseum.nl

A Republic of Art is eigenlijk een ‘gewone’ zomertentoonstelling – maar dan wel een ongebruikelijke. Voor de expositie maakten Van Abbe-curatoren Annie Fletcher en Diana Franssen een persoonlijke keuze uit de collectie van de zogenaamde Fracs: de Fonds Régionaux d’Art Contemporain, regionale kunstinstellingen in Frankrijk, die aan het begin van de jaren tachtig in het leven werden geroepen door de toenmalige cultuurminister Jack Lang. Dertig jaar later bezitten de 23 Fracs in totaal zo’n 26.000 kunstwerken van 4.200 kunstenaars – vooral Fransen – en het idee is dat via deze instellingen de beeldende kunst in het algemeen wordt gestimuleerd. Niet alleen doordat de Fracs werken aankopen, maar ook door werk te tonen en het uit te leggen aan het grote publiek – zoals nu dus ook in Eindhoven.

Fracs zijn daarmee het symbool van ouderwetse kunstverspreiding, gecombineerd met volksverheffing en dat helemaal in de geest van de vroege jaren tachtig – en daar heb je meteen weer de link met het idealistische Van Abbe. Daar is niks mis mee, alleen is het jammer dat dit idealisme, zoals vaker in het Van Abbe, zo moeizaam wordt gepresenteerd. Waarom geef je je prikkelende zomertentoonstelling in vredesnaam een onaantrekkelijke titel als A Republic of Art als die ook al samenhangt met iets wat in Nederland zo onbekend en ongrijpbaar is als de Fracs? Daar gaat toch niemand op een zonnige zomerdag naar toe (‘Kom jongens, eerst lekker naar de Frac-overzichtstentoonstelling en dan een ijsje!’)?

Dat is extra jammer, omdat A Republic of Art een onvervalste aanrader is – al geldt dat misschien vooral voor kenners en fanatiekere kunstliefhebbers. Dat heeft alles te maken met het uitgangspunt van de Fracs: omdat die zijn opgericht om kunst in al haar facetten te stimuleren, zowel makers als publiek, kopen ze vooral werk aan van jonge, aanstormende kunstenaars: die zijn goedkoop en kunnen wel wat steun gebruiken. Maar daardoor bezitten de gezamenlijke Fracs na dertig jaar verzamelen (naast ongetwijfeld een enorme hoop onzin) een prachtige collectie vroege werken van kunstenaars die tegenwoordig ‘groot’ zijn.

Of het nu hedendaagse sterren zijn als Thomas Hirschhorn, Pierre Huyghe, Philippe Parreno, Carsten Höller, Lara Almarcegui en Simon Starling, oudere ‘kanonnen’ als Sophie Calle, Paul McCarthy, Sarkis, Gabriel Orozco, Luc Tuymans, Gerhard Richter en Hans Haacke of aanstormende grootheden als Monica Bonvicini, Lili Reynaud Dewar en Subodh Gupta, ze hangen er allemaal. Vaak zijn dat vroege werken die je niet meteen herkent omdat ze nog in een andere stijl zijn gemaakt, wat de tentoonstelling extra verfrissend maakt. Neem de fantastische, ironisch-modernistische schuursponsjesinstallatie van Thomas Hirschhorn of de twee prachtige, kale, vroege Tuymansen (uit de tijd dat Tuymans nog geloofde in de verbeelding van de toeschouwer) of de vreemde roze-gele installatie met verrassend veel venijn van Carsten Höller en ga zo maar door. Terloops maakt de expositie bovendien duidelijk dat Franse kunst het afgelopen decennium bijna sluipend, na jaren te hebben gezucht onder het juk van over-intellectualisme, weer ‘en vogue’ is geworden. Lopend over de expositie besef je dat opvallend veel van deze kunstenaars, zoals Huyghe en Parreno en Hirschhorn, tegenwoordig op geen enkele internationale expositie meer zijn weg te denken.

Dat is op zich al mooi, maar juist het feit dat deze expositie nu is te zien in het Van Abbe, met zijn uitgesproken en idealistische beleid, levert een extra interessante confrontatie op. Geheel in de geest van het museum namelijk proberen Fletcher en Franssen de kunstgeschiedenis zoals die wordt getoond hun eigen kant op te schrijven – in de richting van die ‘Republic of Art’. In de jaren tachtig wordt dus volgens de zaalteksten ‘de gevestigde orde opengebroken’, in de jaren negentig breidt de kunst zich ‘uit naar andere disciplines’ terwijl er in dat decennium ook wordt ‘nagedacht over kunst en het dagelijkse leven’ en staat de kunst vanaf de jaren nul in het teken van de ‘globalisering, economie, duurzaamheid, migratie en arbeid’.

Daar valt met gemak een alternatieve geschiedenis tegenover te stellen (ik doe maar een gooi: jaren tachtig: opkomst van fotografie en video, jaren negentig: verdwijnen van de avant-gardes, jaren 2000: kunst raakt in de greep van de markt), maar daar gaat het niet om: het zijn vooral de werken zelf die in A Republic of Art bewijzen dat zulke ideologisch gekleurde interpretaties goede kunst altijd tekortdoen. Neem het werk van de Franse kunstenaar Raymond Hains, op A Republic schijnbaar een van de meest geëngageerde kunstenaars: zijn werk speelt zowel met het schelplogo van Shell als met niet artistieke manieren waarop het woord ‘Rodin’ in het straatbeeld voorkomt. Natuurlijk zit er in Hains’ werk een maatschappijkritische ondertoon, maar het is evengoed grappig (Rodin wordt als naam voor de meest idiote dingen gebruikt, ongetwijfeld omdat het zo lekker sjiek klinkt), complex en verdiepend: zo laat Hains heel mooi zien dat de Shell-schelp dezelfde is die het symbool is van de heilige Jacob, u weet wel, die van de Pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Pelgrims-verplaatsing-olie – het is bijna te mooi om waar te zijn. Maar of dat nou kritisch is?

En zo gaat het eigenlijk met bijna alle werken op A Republic. Ze zijn met smaak en lef gekozen, maar precies om die reden voldoen ze vervolgens ook zelden aan het beperkte interpretatieve keurslijf waaraan de curatoren ze willen onderwerpen. Aan de andere kant: dat is niet erg, want juist door die nadrukkelijke sturende context ging ik me lekker ergeren en betrapte ik mezelf erop dat ik scherper en geconcentreerder keek. Want dat is het mooie: uiteindelijk heerst in deze ‘Republic of Art’ een prettig soort anarchie, waarin iedereen doet wat hij wil en waarin de kunstenaars laten zien dat ze in de dagelijkse praktijk van hun werk zelden denken in de termen en begrippen die museumconservatoren of critici eraan toekennen. Zo hoort het ook, en dat levert een aanstekelijke tentoonstelling op.

Een versie van dit artikel verscheen op donderdag 30 juli 2015 in NRC Handelsblad.
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Media BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.

Incredibly Small PhotoBooks Paul Kooiker Erik Kessels
For several years, Paul Kooiker and Erik Kessels have organized evenings for friends in which they share the strangest photo books in their collections. The books shown are rarely available in regular shops, but are picked up in thrift stores and from antiquaries. The group’s fascination for these pictorial non-fiction books comes from the need to find images that exist on the fringe of regular commercial photo books. It’s only in this area that it’s possible to find images with an uncontrived quality. This constant tension makes the books interesting. It’s also worth noting that these tomes all fall within certain categories: the medical, instructional, scientific, sex, humour or propaganda. Paul Kooiker and Erik Kessels have made a selection of their finest books from within this questionable new genre. Incredibly small photobooks is the second volume (after Terribly awesome photobooks) showing this amazing collection.

Geen opmerkingen: