woensdag 24 januari 2018

Views & Reviews These Faxes must not Fade Faxinatie Fringe Phenomena André Thijssen Hans Wolf Artists Book Photography


FAXINATIE / FAXINATION by André Thijssen
Signed copies by André Thijssen & Hans Wolf
The total correspondence comprises 4030 faxes. Counting holidays, weekends and interruptions, that’s more than two a day over the course of six years.


For more than six years, between February 1992 and April 1999, Hans Wolf and André Thijssen faxed each other almost daily. They shared and duplicated their fascination for the puzzling, curious image. The image that was always more a question mark than an exclamation mark. Day in, day out, they played with expectations, thumbing their noses at the decoders, the sifters, the clarifiers of meaning. Of their extensive fax correspondence, 4030 A4 sheets have been preserved. For this book, they selected 634 sheets from a metre and a half of folders.


The word ‘fax’ is an abbreviation of the Latin ‘facsimile’: an accurate copy. These fax correspondents are not interested in the copy, but in the new image. The fax as original, to boost the imagination.


Deze faxen mogen niet verbleken
Faxinatie Jarenlang faxten een kunstenaar en een art director elkaar ongewone beelden. Nu is hun ‘obscure onderonsje’ een boek.

Arjen Ribbens
9 januari 2018

André Thijssen en Hans Wolf: Faxinatie. Fringe Phenomena, 638 blz., €49,90 exclusief verzendkosten. Print on demand via lulu.com
●●●●●

Wie ouder is dan 35 herinnert zich misschien nog de fax. Een communicatieapparaat uit de digitale steentijd. Tot eind jaren negentig werd de fax gebruikt voor tekst- en beeldoverdracht, via een telefoonlijn, en alleen in zwart-wit. Een belletje kondigde de komst van een nieuw document aan, dat dan even later met veel getak-tak-tak regel voor regel op een velletje thermisch papier werd uitgeprint met inkt die al snel verbleekte.

Kunstenaar André Thijssen en art director Hans Wolf stuurden elkaar tussen februari 1992 en april 1999 bijna dagelijks een fax. Van die ruim vierduizend berichten hebben zij er 618 gebundeld in het boek Faxinatie.



Het is nog lang geen februari, maar toch is het de vraag of dit jaar een krankzinniger boek het licht zal zien. Thijssen en Wolf deelden een belangstelling voor ongewoon beeld. Uit kranten en tijdschriften, reclamedrukwerk, akelige medische handboeken en antiquarische vondsten als Gibt es Sex nach dem Tode? en Photograph your injuries at once haalden ze curieuze foto’s, die ze kort becommentarieerden.

Op een foto van een Eerste Wereldoorlog-militair met een geblakerd hoofd noteerde Thijssen: „…maar onder z’n oksels moet ie heel fris ruiken hoor.” Bij een krantenpagina met een geboorteannonce en 29 overlijdensadvertenties voor oud-minister Jan de Koning noteerde Wolf: „één pagina met één levende en één dooie man.” Op 14 mei 1993 retourneerde Wolf een fax van Thijssen. Over een foto van een vrouw die met lege blik likt aan een donkere en een blanke penis is door een collega een post-it geplakt met de tekst: ‘Ik ben vrij liberaal, maar moet dit nou? Lydia’

Lang dachten de mannen dat hun faxcorrespondentie een obscuur onderonsje betrof, vertellen ze in hun boek aan journalist Jack Meijers. Tot tentoonstellingsmaker Erik Kessels bij Thijssen de 31 insteekmappen doorbladerde waarin de kunstenaar kopieën van de faxen bewaarde. „Waarom publiceren jullie dat niet?”, vroeg Kessels. Toen een aantal faxen op Facebook enthousiaste reacties ontlokten, besloten Thijssen en Wolf hun oude correspondentie uit te geven. „Gedeelde faxinatie is dubbele faxinatie”, zeggen ze.



















zaterdag 20 januari 2018

Views & Reviews UNWIRED Graphic Design Irma Boom JACQUELINE HASSINK Conceptual Photography


UNWIRED JACQUELINE HASSINK
What does it feel like to live without telephone and WiFi connections – to be ‘unwired’? The exhibition Unwired confronts us with our smartphone addiction and appeals to our fundamental need for mental rest.

For Unwired, Jacqueline Hassink roamed the world in search of ‘white spots’, where there is no digital connectivity of any kind. She photographed places like the remote primeval forests on the Japanese island of Yakushima, the Svalbard Islands in the Arctic Ocean and the mountains of Iceland, but also visited a ‘digital detox’ spa in Germany, where clients are artificially shielded from the digital world. Contrasting sharply with these tranquil places, Hassink has taken portraits of people glued to their smart- phones in the metro.

Publication
The exhibition will be accompanied by a photo book, likewise entitled Unwired. Designed by Irma Boom, the volume will be issued by German publishing house Hatje Cantz. It will feature contributions from Jacqueline Hassink, Frits Gierstberg, Bregtje van der Haak, Rinzai Zen master Yudo Harada and others.

Jacqueline Hassink was born in July 1966 in the Netherlands, and currently lives in New York City. Hassink is well known for her global art projects that deal with the world of economic power. Her work represents visual, graphic, and sociological maps of the axes of global economic structures. Her first art project, The Table of Power (1993–95), was followed by projects such as: Car Girls (2002–08), Haute Couture Fitting Rooms, Paris (2003–12), and The Table of Power 2 (2009-11), which was nominated for the 2012 Paris Photo/Aperture Book Award as one the ten best photo books of the year. The Table of Power 2 was also the runner up for the PhotoEspaña Best Photography Book of the Year Award.

Her most recent work, View, Kyoto, was photographed from 2004 to 2014. Hassink has spent 18 months in the city over a period of ten years, creating a series of photographs that explores the undefined border between private and public space in thirty-four of the city’s 1,600 Buddhist temples, in which interior spaces and gardens are carefully arranged so that someone seated in a temple’s meditation space or on a veranda will be presented with a specifically crafted view of nature. “The absence of windows leads the visitor to perceive space in a new way,” the artist has said, “with no border between the private and public realm.”

Hassink’s work has been widely collected and exhibited, including shows at Huis Marseille in Amsterdam; Fotomuseum Winterthur, Winterthur; ICP in New York and the Museum of Photographic Arts in San Diego; Tokyo Metropolitan Museum for Photography, Tokyo; The Photographers’ Gallery and the Victoria and Albert Museum in London and the Guangzhou Museum of Modern Art, Guangzhou. It has also appeared in such publications as The Financial Times, Le Monde, The New York Times, El Pais, Frankfurter Allgemeine, Süddeutsche Zeitung, Reuters, De Standaard, NZZ, Newsweek, Fortune, and Wired. She is the winner of the Rencontres d'Arles 2002 Unlimited Award and the Dutch Doc Award 2013. She was shortlisted for Prix Pictet 2012, one of the most prestigious photography prizes in the world. It is the first prize dedicated to photography and sustainability. In 2013 she was shortlisted for the Henri Cartier Bresson Award and in 2014 she was longlisted for the Deutsche Börse Photography Prize.


De plekken waar je echt niets hebt aan je mobieltje
Fotograaf Jacqueline Hassink reisde naar plekken op aarde waar het digitaal doodstil is. „Ik realiseerde me hoe verslaafd ik was aan mijn mobiele telefoon.”

Rianne van Dijck
19 januari 2018

Onoaida 6Unwired Landscapes30°17’59”N 130°31’49”EOnoaida trail, Yakushima, Japan. Herfst, 2 oktober 2016
Jacqueline Hassink

Moderne paradijzen. Gouden plekken. Zo noemt fotograaf Jacqueline Hassink (51) de plekken op aarde waar geen mobiel bereik is. Waar geen zendmasten staan, geen luchtballonnen, drones of satellieten zweven die toegang bieden tot de digitale wereld, waar we niet kunnen appen, facebooken of Netflix kijken. Ook Nederland heeft er een paar, op de Veluwe, in de Betuwe en langs de grens bij Drenthe en Groningen.

Hassink reisde naar een aantal ‘white spots’ nadat ze eerder, tussen 2004 en 2014, werkte aan een fotoserie over boeddhistische tempels en tuinen in Kyoto, Japan. „Dan kwam ik in een tempel waar de monniken alleen een oude fax en een vaste telefoonlijn hadden. Ze namen vaak niet eens op als er werd gebeld, want dan waren ze met andere dingen bezig. Heel bevrijdend.”

Na een bezoek aan het Japanse eiland Yakushima, waar in het hart van de oerbossen helemaal geen bereik is, ervoer ze voor het eerst sinds lange tijd weer hoe het voelt om niet verbonden te zijn: „Ik realiseerde me hoe verslaafd ik was aan mijn mobiele telefoon. Het was heel verwarrend om daar te zijn, maar ik voelde ook dat ik weer ruimte in mijn hoofd kreeg. Ik denk dat mensen die ruimte soms nodig hebben om goed te kunnen functioneren. Zeker voor je creativiteit heb je soms behoefte aan die stilte, dat niets.”

Uit de mallemolen
Jacqueline Hassink werd internationaal bekend met haar fotoprojecten over economische macht, zoals The Table of Power, Arab Domains en Car Girls. Zo’n zes maanden per jaar is ze op reis; ze woont in New York maar verblijft ook regelmatig in Amsterdam en Kyoto. Haar mobiele telefoon en internet heeft ze hard nodig om te communiceren met al die contacten over de hele wereld. „Ik voelde de laatste jaren steeds meer druk. Ik leed aan slapeloosheid, aan stress, vond het steeds moeilijker om te ontspannen. En dat had, behalve de gewone werkdrukte, zeker ook te maken met het altijd maar bereikbaar zijn.”

Unwired, de expositie die vanaf zaterdag te zien is in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, is het resultaat van haar zoektocht naar een exit uit deze mallemolen. Ze fotografeerde onder andere plekken op aarde zonder digitaal bereik, zoals die in kaart werden gebracht in het multimediale project White Spots. Ze reisde ervoor naar eeuwenoude oerbossen in Japan, de Noorse eilandengroep Spitsbergen, het onherbergzame landschap van IJsland en het mysterieuze, schier ondoordringbare bamboestruikgewas in het Mount Kenya National Park in Kenia.

Hassink fotografeerde ook de kamers in Villa Stéphanie, een luxe spahotel in het Duitse Baden-Baden, dat gasten een digitale detox biedt. De vijftien kamers hebben koperen platen in de muren die alle wifi, telefoonnetwerken en zelfs elektriciteit blokkeren. Voor wie wil, biedt het hotel begeleiding in het „aangaan van een gezonde relatie met je mobiele telefoon” en een exemplaar van The Digital Diet, een zelfhulpboek om in vier stappen je digitale verslaving te doorbreken en je leven weer in balans te brengen.

Wat opvalt is dat het kleven aan je mobieltje van New York tot aan Shanghai dezelfde mimiek genereert. De ruimte tussen de telefoon en de ogen wordt als het ware een cocon, een persoonlijke ballon die weliswaar onzichtbaar is, maar daarom niet minder ondoordringbaar. Volgens Hassink heeft de komst van de smartphone ervoor gezorgd dat we onze meest intieme emoties in de openbaarheid hebben gebracht. Het lezen van een brief – denk aan het schilderij van Vermeer – hoorde thuis in de beslotenheid van het privévertrek. Nu pingen en appen en snapchatten we persoonlijke boodschappen die iedereen mee kan lezen.
Maar zo voelt het niet. In de trein in Parijs staan reizigers als sardientjes in een blikje op elkaar. Iedere keer dat de trein remt voor een station, golft de meute synchroon naar voren, en weer naar achteren. Maar het is doodstil. Iedereen luistert naar of kijkt op zijn mobiel, om daarmee een restje privacy af te dwingen van de personen die hij noodgedwongen tegen zich aan voelt.

Langisjór 2, Unwired Landscapes63°58’11”N 18°41’6”WRoad F235, Vatnajökulsþjóðgarður, Iceland. Zomer, 17 augustus 2015.
Foto Jacqueline Hassink

„Net als veel mensen vind ik het moeilijk die balans te vinden”, zegt Hassink in een telefonisch gesprek. „De mobiele telefoon is voor veel mensen een verlengde van hun arm geworden, maar ook van hun geest. Je gaat gelijk op zoek naar informatie als je even iets niet weet. Als je je verveelt kijk je een serie op Netflix. Zit je even een minuut op iemand te wachten, dan haal je meteen je smartphone uit je zak.”

Elkaar in de ogen kijken
Naast de landschappen toont ze portretten van mensen die in metro’s in onder andere Moskou, New York en Seoul op hun telefoons zitten te staren. „In deze serie iPortrait zie je hoe iedereen alleen maar gefocust is op dat apparaatje, niemand praat met elkaar of is zich zelfs maar bewust van de aanwezigheid van de ander. Of van zichzelf. Mensen zijn niet hier maar daar: fysiek zijn ze op deze ene plek, hun geest zweeft ergens anders.”

Hassink maakt zich zorgen over dat gebrek aan menselijk contact: „Een goed gesprek voeren, uren de tijd nemen om te praten over en te luisteren naar elkaars ideeën en gevoelens; het lijkt steeds moeilijker te worden. Terwijl er niets zo mooi en belangrijk is als echt contact tussen mensen, waarbij je samen in een ruimte bent en elkaar in de ogen kunt kijken.

„Ik had laatst een etentje met zeven mensen in Beijing, vooral dertigers. Als ze het gesprek niet meer interessant vonden, pakten ze gewoon hun telefoon. Op een gegeven moment zaten vier van de zeven met die telefoon in hun hand. Ongelooflijk.”

Wat doet Hassink zelf in haar zoektocht naar een uitgang uit de digitale wereld? „Ik sport veel, dat helpt. En ik probeer er bewuster mee om te gaan. Eén dag in de maand zet ik alles uit. Lastig. Voortdurend popt er een vraag in mijn hoofd op en dan wil ik het antwoord gelijk weten. Maar dat gevoel zakt weg. Dan merk ik hoeveel tijd ik ineens overhoud.”

Jacqueline Hassink: Unwired. 20 januari t/m 6 mei in het Nederlands Fotomuseum Rotterdam. Bij de expositie verschijnt een gelijknamig fotoboek, vormgegeven door Irma Boom. Uitgeverij Hatje Cantz,  58 euro. Info over het White Spots-project: white-spots.net

Fotograaf Jacqueline Hassink legt digitale stilteplekken én metropolen vast
Onze mobiel heeft een enorme zuigkracht. Fotograaf Jacqueline Hassink legde vast hoe onze intiemste communicatie oprukt in het publieke domein, en ging op zoek naar de schaarse digitale stilteplekken op de wereld.

‘Onoaida 3’, op het Japanse eiland Yakushima (oktober 2016);

‘Tokyo 30’, gemaakt op 24 maart 2014.

Shanghai 41’, 2 december 2016.

Wat is het ergste wat je kan overkomen als je een paar dagen op een plek bent zonder bereik? Dat je Wordfeud-spellen allemaal verlopen en je rating 200 punten keldert. Dat, én de verontruste appjes van vrienden en familie na afloop, wat er toch in godsnaam aan de hand was, want je stond er toch zo goed voor?

Ons mobieltje is onze verbinding met de wereld, de levenslijn waarmee we het wel en wee van dierbaren in de gaten houden, onze nieuwsgierigheid bevredigen en waarmee we voortdurend bevestiging zoeken, én krijgen, van de zin van ons bestaan. Als die onzichtbare draden ineens worden doorgeknipt, bijvoorbeeld omdat je op een schip door Vuurland vaart, dan blijkt dat je heel goed zonder kunt. Het is paradoxaal: zonder bereik is je wereld niet kleiner, maar juist groter geworden. Je kijkt namelijk beter om je heen.

Fotograaf Jacqueline Hassink ervoer die bevrijding in 2012 toen ze aan het werk was in het hart van het Japanse eiland Yakushima, een heilige plek met eeuwenoude, bemoste bomen. ‘Het was een geweldig gevoel zo ver verwijderd te zijn van de beschaving, geen telefoon, geen internet. Alleen de natuur en ik. Ik kwam tot rust en begon om me heen te kijken’, schreef ze in haar dagboek. Ze besefte hoe verknoopt ze was geraakt met haar mobiel, en hoe die afhankelijkheid haar belette de innerlijke stilte te bereiken die ze eerder had ervaren in boeddhistische kloosters in Kioto.

Vanaf dat moment begon ze te denken over een wereldkaart met daarop alle ‘witte vlekken’, toevluchtsoorden zonder wifi en zonder telefoon. Het leken haar ineens luxeoorden, van grote geestelijke waarde voor de hedendaagse, gestreste burger. Tot haar verrassing bestond zo’n kaart er nog niet. Samen met ontwerper Richard Vijgen en documentairemaker Bregtje van der Haak besloot ze de kaart, met bijbehorende app, dan maar zelf te ontwikkelen.

Terwijl ze begon met de voorbereiding van de reizen naar afgelegen oorden realiseerde ze zich dat de portretten van mensen in de metro die verdiept zijn in hun smartphone, een serie waar ze al sinds 2010 aan werkte, alles te maken had met dit nieuwe project. Het zijn twee kanten van dezelfde munt, yin en yang. Alomtegenwoordige bereikbaarheid en onbereikbare afwezigheid.

En zo werden ‘iPortrait’ en ‘Unwired Landscapes’ ineengeschoven, of beter gezegd: naast elkaar gezet. Want de werkwijze van beide series kan niet verder uit elkaar liggen. Waar Hassink de van God en wifi verlaten landschappen, waarvoor ze soms drie weken moest reizen om er te komen, met hulp van een statief vastlegde op analoge film, betrapte ze de metroreizigers steevast via net zo’n smartphone als die ze zelf vasthouden. ‘Als je het geluid van je iPhone uitzet, heeft niemand in de gaten dat je aan het fotograferen bent.

‘Langisjor 2’, 17 augustus 2015 op IJsland.

Wat opvalt is dat het kleven aan je mobieltje van New York tot aan Shanghai dezelfde mimiek genereert. De ruimte tussen de telefoon en de ogen wordt als het ware een cocon, een persoonlijke ballon die weliswaar onzichtbaar is, maar daarom niet minder ondoordringbaar. Volgens Hassink heeft de komst van de smartphone ervoor gezorgd dat we onze meest intieme emoties in de openbaarheid hebben gebracht. Het lezen van een brief – denk aan het schilderij van Vermeer – hoorde thuis in de beslotenheid van het privévertrek. Nu pingen en appen en snapchatten we persoonlijke boodschappen die iedereen mee kan lezen.

Maar zo voelt het niet. In de trein in Parijs staan reizigers als sardientjes in een blikje op elkaar. Iedere keer dat de trein remt voor een station, golft de meute synchroon naar voren, en weer naar achteren. Maar het is doodstil. Iedereen luistert naar of kijkt op zijn mobiel, om daarmee een restje privacy af te dwingen van de personen die hij noodgedwongen tegen zich aan voelt.


Expo en boek
Jacqueline Hassink: Unwired, 20 jan t/m 6 mei, Nederlands Fotomuseum, Rotterdam.

Bij de expositie verschijnt, bij uitgeverij Hatje Cantz, een fotoboek in samenwerking met grafisch kunstenaar Irma Boom, ca. € 58.












woensdag 17 januari 2018

Centre Pompidou Honours Johan Van Der Keuken Living with your Eyes Paris Mortel Photography


Centre Pompidou Honours Van Der Keuken
11 January 2018

16 years after his early death and four years after the widely acclaimed exhibition at EYE in Amsterdam, the Bibliothèque publique d’information (Bpi) of the Centre Pompidou in Paris is organizing the biggest Johan Van der Keuken retrospective ever held outside the Netherlands. Some feature films and available short films have never been shown before in France. Most are coming from the collection of EYE Film Museum.

The retrospective celebrates the start of a new French initiative promoting Documentary Film: the Cinémathèque du Documentaire. This initiative consists of a nationwide network of festivals, institutions, archives and even television channels, aiming to promote Documentary Film. The Bibliothèque publique d’Information of the Centre Pompidou, also home to the prestigious Cinéma du Réel film festival, has been selected as the Parisian antenna of the Cinémathèque and will organize over 400 documentary screenings this year.

The choice of Dutch documentary filmmaker Van der Keuken to launch the Cinémathèque du Documentaire is a living proof that his work is highly appreciated in France, even more so by the presence of prestigious French filmmakers and critics presenting Johan’s films: Claire Simon, Julie Bertuccelli and François Albéra. From the Netherlands, filmmaker Ramon Gieling, producer Pieter van Huystee and editor Menno Boerema will introduce the film of their choice.

The retrospective will be officially opened on the 17th of January by Van der Keuken’s widow and lifelong collaborator, Noshka van der Lely and continues until March 2018.


Oktober 1997, nr 182

To Sang Fotostudio & Leven met je ogen

Gieling filmt Van der Keuken filmt To Sang

Het moet een merkwaardig gezicht zijn geweest: de ene cameraman volgt de andere filmploeg door de straten van de Pijp. Terwijl Johan van der Keuken een Chinese fotostudio in deze Amsterdamse volksbuurt filmde, maakte Ramón Gieling in diens kielzog een documentaire over cineast Johan van der Keuken.


Twee filmploegen aan het werk in Fotostudio To Sang.

De fotostudio van To Sang is wereldberoemd in de Pijp. Al twintig jaar maakt de Chinese fotograaf glossy, felgekleurde familieportretten, meestal tegen de achtergrond van overdadig natuurschoon. Zijn zwart-witportretten zijn weinig soberder: die kleurt hij in tot sepia-getinte nostalgische prentjes.
Het is niet verwonderlijk dat cineast Johan van der Keuken gefascineerd raakte door deze innemende portretfotograaf. Als een soort filmregisseur vertelt To Sang zijn klanten precies hoe ze moeten staan of zitten. De voeten iets meer bij elkaar, het hoofd een beetje gedraaid. En als iedereen precies de goede houding heeft aangenomen - 'meisje heel mooi zo' - drukt hij af.

Op verzoek van Van der Keuken maakte To Sang voor de documentaire fotoportretten van een aantal buurtwinkeliers. Na zijn stads-epos Amsterdam global village heeft Van der Keuken met deze documentaire over de winkeliers van de Pijp daardoor eigenlijk het vergrootglas gelegd op een klein stukje van dat wereldse dorp. In een kort gesprekje krijgen we iets te weten over de achtergrond van de - veelal allochtone - middenstanders. Vervolgens volgt de cineast hun oversteek naar de studio van To Sang, waar ze voor een decor van een bruisende waterval of een sfeervol berglandschap worden gefotografeerd.

Poor man's-speelfilm
Wat de toeschouwer van deze aardige verzameling portretten dan nog niet weet, is dat Van der Keuken en zijn (geluids)vrouw Noshka van der Lely op hun beurt weer op de hielen worden gezeten door Ramón Gieling. Gieling heeft een vruchtbare vorm gekozen om een documentaire over zijn bewonderde filmmaker te maken. Hij kijkt over de schouder van de meester mee hoe Van der Keuken al bijna veertig jaar te werk gaat.

Al snel blijkt dat Van der Keuken zijn schijnbaar losjes gefilmde documentaires zorgvuldig ensceneert. Leven met je ogen rekent radicaal af met het naïeve idee dat een documentairemaker Het Leven spontaan zou betrappen. "Dus u kijkt dromerig naar buiten", instrueert Van der Keuken fotograaf To Sang. En de regisseur laat een van de buurtwinkeliers zo vaak de wandeling naar de fotostudio maken, dat hij hem niet durft te vragen om het nog een keer over te doen.

Van der Keuken omschrijft zijn project als een 'poor man's-speelfilm' en legt daarmee inderdaad de charme van Fotostudio To Sang bloot. We zien gewone mensen uit de hele wereld die in dezelfde straat wonen en daarom in deze film verzeild geraakt zijn. In een echte speelfilm zullen ze waarschijnlijk nooit terecht komen, maar net als op de foto's van To Sang ontstaat een mooie spanning tussen de spontaniteit van de gefotografeerde en de plannen van de fotograaf of filmer.

Droste-effect
Om zijn documentaire wat meer academisch gewicht te geven, liet Gieling helaas een heel regiment binnen- en buitenlandse Van der Keuken-watchers aanrukken. Aardig zijn de uitspraken van Van der Keukens echtgenote en vaste geluidsvrouw over haar aandeel in de films van haar man. Eerder in de film hadden we al gezien hoe ze Van der Keuken bij zijn middel pakt en hem voorzichtig in een bepaalde richting laat filmen. Maar de overdaad aan andere filmcritici, vrienden en collega's doet weinig goed. Soms met enkele woorden ('Meester van de kadrering!') bewieroken zij Van der Keuken, zonder dat ze veel opzienbarends over diens werk kunnen meedelen.

De definitieve Van der Keuken-documentaire is Leven met je ogen bij lange na niet geworden. Maar de twee documentaires zorgen wel voor een bijzonder Droste-effect: Ramón Gieling filmt de filmende Johan van der Keuken die de fotograferende To Sang filmt. Het tweeluik roept bovendien interessante vragen op over fictie en werkelijkheid in een documentaire. Want in hoeverre moet de kijker van Van der Keukens film er zich bewust van zijn dat in dat piepkleine fotostudiootje niet één, maar twee cameraploegen aanwezig zijn? Vervolgens ga je je afvragen hoe waarheidsgetrouw Gielings documentaire is. Hoe vaak heeft hij Van der Keuken gevraagd om op de juiste manier - als een echte regisseur - aanwijzingen te geven? En als Khalid, de brommerkoerier uit Amsterdam global village plotseling langsscheurt, is het moeilijk te geloven dat Gieling dat níet in scène heeft gezet.

Pieter Bots

To Sang Fotostudio
Nederland, 1997.
Produktie: Frank Scheffer (Allegri Produkties).
Scenario, regie, en camera: Johan van der Keuken.
Geluid: Noshka van der Lely.
Montage: Barbara Hin en Johan van der Keuken.
Kleur, 35 minuten.

Leven met je ogen
Nederland, 1997.
Produktie: Frank Scheffer (Allegri Produkties).
Scenario en regie: Ramón Gieling.
Camera: Goert Giltaij, Eugene van den Bosch en Jaap Veldhoen.
Geluid: Wouter Veldhuis.
Montage: Barbara Hin.
Kleur, 55 minuten.


Filmer Johan van der Keuken bewierookt
To Sang Fotostudio. Regie en camera: Johan van der Keuken. Leven met je ogen. Regie: Ramon Gieling. In: Rialto, Amsterdam.

Raymond van den Boogaard
8 oktober 1997

Dat je als filmer graag een portret maakt over een filmer die je bewondert, ligt in de rede. Maar helaas is Ramon Gieling in Leven met je ogen, zijn documentaire over de documentaire filmer Johan van der Keuken, ten prooi aan het misverstand dat je het voorwerp van bewondering ook nadrukkelijk moet bewieroken.

Gielings portret is te zien in één programma met een nieuwe film van Van der Keuken zelf, To Sang Fotostudio, die een soort supplement vormt op diens mega-productie Amsterdam, Global Village van vorig jaar. Wederom geldt de Nederlandse hoofdstad als een kruispunt van culturen. Van der Keuken laat een uit vele windstreken afkomstige groep middenstanders uit de Albert Cuypstraat (Chinezen, Koerden, Surinamers, Pakistanen etc.) van zichzelf een portretfoto maken bij de van oorsprong Chinese fotograaf To Sang, een aantal jaren geleden 'ontdekt' door een fotoboek van Willem van Zoetendaal. Dat levert een buitengewoon grappig inzicht in de culturele smeltkroes op - waartoe niet weinig bijdraagt dat de foto's van To Sang een moeilijk te definiëren vreemdheid bezitten.

To Sang Fotostudio is een 'kleine' Van der Keuken, al was het maar omdat er thans geen gelegenheid bestond om de in Global Village-Amsterdam gevonden werkelijkheid te relateren aan de werkelijkheid in het land van herkomst van de geportretteerden. Gielings Leven met je ogen is deels een soort 'the making of' To Sang Fotostudio en als zodanig nog wel aardig: Van der Keuken wordt door grote stress, zoniet woede bevangen als er tijdens de opnamen iets mis gaat (geluidshengel in beeld, regieaanwijzing verkeerd begrepen). Het is fascinerend om te zien hoezeer een film die de indruk wekt van een reportage, het resultaat is van veel mise-en-scène en overdoen van opnamen. Maar daar eindigen de verdiensten van Leven met je ogen. Het in alle hoeken van de wereld gevonden gezelschap loftuiters wordt niet of nauwelijks geïntroduceerd, zodat hun in weemakende blokken gemonteerde complimenten goeddeels in de lucht blijven hangen voor wie niet is ingevoerd in de filmwereld. Volmaakt onduidelijk is ook waarom sommige oudere films van Van der Keuken middels een fragment en een interview aan de orde komen, en de meeste andere niet. Als grap op een avondje onder vrienden zou Leven met je ogen aardig voldoen, maar als documentaire is hij zijn onderwerp onwaardig.


Effectieve ontmaskering van de documentaire-mythe

HANS KROON– 9 oktober 1997

'To sang, foto-studio' (35 min.) is de eerste film die Johan van der Keuken maakte na zijn uren durende 'Amsterdam Global Village'. De nieuwe film kan beschouwd worden als een verbijzondering van het thema en de vorm van dat machtige epos over multi-culturueel Amsterdam.

Van der Keuken richt zijn camera deze keer op de studio aan de Albert Cuypstraat, waar de Chinese fotograaf To Sang al twintig jaar portretten van zijn buurtgenoten maakt. Van der Keuken zou Van der Keuken niet zijn als hij niet ook de buurt waarin de beminnelijke To Sang woont en werkt in zijn nieuwe film had opgenomen.

In het begin voert hij ons langs enkele felgekleurde winkelpuien in de Albert Cuypstraat. En meteen zitten we dan midden in multi-cultureel Amsterdan. De camera scheert onder meer langs de pruikenwinkel 'Hollywood Hair', het Pakistaanse 'Saree Center', het Koerdische restaurant 'Lokanta Ceren' en de Nederlandse versshop 'Woestenburg'.

Vervolgens laat Van der Keuken de eigenaars van deze winkels naar 'To Sang, fotostudio' lopen om geportretteerd te worden. De klanten nemen plaats voor een kleurig landschap of imposante waterpartij. Met gebaren, woorden en kleine duwtjes manoeuvreert To Sang ze in de door hem gewenste houding. Soms bewerkt hij de aldus ontstane, zeer geënsceneerde en glamoureuze foto's nog verder. Zwart-witportretten, bijvoorbeeld, tovert hij met kleine penselen om tot sepia-kleurige bidprenten.

'To Sang, fotostudio' lijkt op het eerste gezicht niet meer en niet minder te zijn dan een innemende en trefzekere weergave van een facet van het leven in een Amsterdamse volksbuurt. Dat filmer en fotograaf Van der Keuken tussen de beelden door ook iets onthult over zijn eigen esthetiek, blijkt overduidelijk uit de documentaire 'Leven met je ogen' die Ramón Gieling over Van der Keuken maakte terwijl die 'To Sang, fotostudio' opnam. Van der Keuken en de hem als zijn schaduw volgende camera-vrouw Noshka van der Lely blijken de werkelijkheid precies zo te manipuleren als de Chinese fotograaf. Zo laten ze een winkelier wel vijf keer opnieuw naar de studio lopen. Ook vraagt Van der Keuken de fotograaf om eens even dromerig voor zich uit te staren. 'Leven met je ogen wemelt' van dit soort taferelen die effectief afrekenen met de mythe dat documentairemakers de werkelijkheid alleen maar registreren en niet ook ensceneren.

Helaas heeft Gieling zijn film doorsneden met een bonte stoet Van der Keuken-deskundigen die even - soms zelfs in maar één zin - iets over het belang van de filmer mogen beweren. Die in mootjes gehakte intellectuele kretologie doet ernstig afbreuk aan zijn verder zo fascinerende film.