zaterdag 26 juli 2014

Bread to Keep the Peace Food Henk Wildschut Photography

Henk Wildschut, Food

JTF (just the facts): Published in 2013 by Post Editions (here). Hardcover, 144 pages, with 91 color photographs and 95 black and white thumbnails (with accompanying captions). Includes a short artist statement on the jacket flap. (Spread shots below.)

Comments/Context: Food production is one of those touchy subjects that we all seem to have a strong opinion about, even though we are largely uninformed about its realities and details. With cues from the farm to table and slow food movements and lessons from Michael Pollan’s The Omnivore’s Dilemma rattling around in our brains, we know we want good healthy food (“organic “or not), grown not too far from where we live, raised in conditions that wouldn’t make us think twice or pull back in horror. We also want food that is relatively inexpensive, abundant, and undeniably safe. And increasingly, we are demanding evidence of supporting production processes that aren’t unnecessarily harmful to the animals or the environment. So the obvious challenge for modern farmers is that with consumers off in a blissful fog of happy cows in sunshine filled meadows, they need to come to grips with a set of conditions that are often contradictory, or at least in general opposition, while still finding a way to make a living.
Henk Wildschut’s photographs of Dutch food production sites bring this challenge into crisp clinical focus. Diving into technical details and industrial methods with the attention of a forensic scientist, his pictures sweep aside romanticism and dig deep into the cutting edge technologies being deployed in today’s most innovative farms. Depending on your perspective, given that his findings are so far from our 19th century ideals, your reaction will be somewhere between impressed with our collective ingenuity or astonished and a bit frightened by our increasingly technical optimizations. His point is that food production is far more nuanced and complicated than we generally understand, and even when we do the homework and get better educated, the answers aren’t easy – they require trade-offs that reasonable people will still disagree about, regardless of whether we’re talking about tomatoes and lettuce, milk and yogurt, potatoes and freshwater fish, or pork and beef.
His book is divided into six ominous sounding sections: Source, Protocol, System, Location, Product, and Hygiene, with each one supported by a selection of representative images from various different farms. One of the things that becomes immediately clear is that if we want inexpensive food, it needs to be farmed at larger scale, and with larger scale comes the need for standardization and regulation, as well as more systematic efforts at nearly every step in the chain to prevent infections, diseases, and other problems. Like Thomas Struth’s images of sites of technology, Wildschut’s photographs take on a eerie futuristic quality, as professionals in bunny suits normally found in a semiconductor clean room worry over special purpose computerized machinery designed to improve, automate, and track everything from vaccinations to packaging.
Wildschut’s photographs are framed and titled with deadpan accuracy, bringing unemotional scientific rigor to his subjects. Each image is a tiny object lesson in highly controlled process detail: petri dishes of infected leaves, highly accurate measuring systems, fluorescent lit industrial washing stations, custom built conveyor belts, and data centers filled with racks of servers. His monotone descriptive titles take on an ironic edge when closed door reality and our imagined fantasy don’t entirely align: Playground captures piglets in repeated rectangular pens with plastic flooring while River shows us rows of circular breeding tanks for farm raised fish. But it’s these inversions that really provoke new realizations about the state of modern farming. Lavatory shows an ingenious indoor fencing system that manages pig waste effectively, while Semi-finished shows a conveyor belt of brown and white chicks, color coded for easy separation between male and female. Innovative thinking is being applied at every stage, and a pervasive paranoia around cleanliness and order is found almost everywhere.
Photographically, Wildschut’s pictures alternate between squared off wider views of technology rich scenes (greenhouses, machinery, technical facilities) and closer in still lifes of isolated equipment, animals, and workers. His eye is often attracted by the puzzling or incomprehensible – odd looking machines with unfathomable (but later found to be important) functions, regimented racks of carcasses, perfect greenhouses that seemingly stretch to the horizon, and workers in hairnets and shower caps keeping the massive operations running. The photographs are just as controlled as the environments being depicted, obsessively crisp and clear, and yet still mysterious. Every visual puzzle is later unraveled in the captions to thumbnail images in the back of the book, educating us after we have taken the ride to wary incomprehension and back.
What makes this book work so successfully is its unwavering balance; it is neither a celebration nor an indictment of today’s farming, but simultaneously both – each photograph has the potential to look amazingly brilliant or delusionally crazy, depending on your vantage point. That open endedness ensures that the pictures provoke discussion, rather than stifling it with a one sided visual argument. It’s the kind of book that will likely kindle arguments, so casually leave it on your coffee table and wait for the sparks to fly.
Collector’s POV: Henk Wildschut just had a show of this body of work at Kominek Gallery in Berlin (here). His work has not yet reached the secondary markets, so gallery retail remains the best/only option for those collectors interested in following up.
Voedsel voor de vluchtelingen
Een vluchtelingenkamp is niet zomaar gevoed. Fotograaf Henk Wildschut onderzocht in Jordanië wat er bij komt kijken.
550 duizend ton graan
Ondanks het feit dat er in Jordanië geen tarwe wordt verbouwd, is brood het belangrijkste onderdeel uit het voedingspakket. Met de vier bestaande graansilocomplexen heeft Jordanië een opslagcapaciteit van ongeveer 550.000 ton graan. Genoeg om de bevolking voor zes maanden van brood te voorzien. Op dit moment wordt er op de grens met Saoedi-Arabië een groot nieuw silocomplex gebouwd met een capaciteit van 250.000 ton. Ook elders in het land wordt gewerkt aan een extra opslagcomplex. De silo’s vormen een extra buffer tegen de fluctueringen op de wereldgraanmarkt en maken Jordanië iets minder kwetsbaar voor grote prijsschommelingen. Daarnaast is de uitbreiding noodzakelijk in verband met de grote vluchtelingenstroom uit de omringende landen.
Gratis brood
R. Hammad leidt voor het World Food Program (WFP) de voedselvoorziening in het vluchtelingenkamp Za’atari. Het kamp is qua aantal inwoners – in maart van dit jaar waren het er 110.000, op dit moment zijn het er 82.000 – de vierde grootste stad in Jordanië . Elke dag verstrekt WFP 23 kubieke meter brood aan de inwoners. Per maand krijgt elke vluchteling een voucher ter waarde van twintig euro om zelf voedsel te kopen in de kampsupermarkt. Brood valt buiten dit programma en wordt gratis vertrekt. Maandelijks besteedt WFP 1 miljoen dollar aan brood. H. Hammad maakt strenge afspraken met de vier gecontracteerde bakkers over de kwaliteit en de leveringsvoorwaarden. Slechte kwaliteit brood kan onrust veroorzaken in het kamp. Het door WFP bij de bakkers gekochte brood valt niet onder de subsidieregeling van de Jordaanse overheid, WFP betaald dus de reguliere broodprijs.
Jordan Silos Company
Mohamed Abul Ghanam is directeur van de Jordan Silos and Supply General Company en is verantwoordelijk voor het goed opslaan van het door de Jordaanse overheid geïmporteerde graan. Het afgelopen jaar heeft hij ongeveer 1 miljoen ton tarwe opgeslagen in zijn silo’s en gedistribueerd naar de meelfabrieken in het land. In de laatste drie jaar heeft hij de opslag zien stijgen met 200.000 ton. Deze stijging is voor het grootste deel terug te voeren op de toestroom van vluchtelingen. De Silos Company is een onderdeel van het Jordaanse ministerie van Handel dat de tarwe inkoopt op de wereldgraanmarkt.
Twee maanden voor anker
De Captian P. Egglezos is met een lading van 45.000 ton graan in 22 dagen van Argentinië naar Aqaba, de haven van Jordanië, gevaren. Al het graan voor Jordanië wordt via Aqaba aangevoerd en vanuit graansilo’s over het land gedistribueerd. Het meeste graan komt uit Oekraïne, Rusland, India en Argentinië. In januari heeft de Captian P. twee maanden voor anker gelegen voor de kust van Iran. De reder wachtte tot de graanprijzen zouden stijgen om zo een betere prijs te kunnen krijgen voor de lading.
110 kilo brood per persoon
Gemiddeld eten Jordaniërs 110 kilo brood per jaar (in Nederland is dat 60 kilo). Om onrust bij de bevolking door bijvoorbeeld sterke fluctuering van de tarweprijzen te voorkomen, wordt brood door de overheid met 75% gesubsidieerd. Door de instroom van grote hoeveelheden vluchtelingen uit de omringende landen staat de economie in Jordanië onder grote druk en stijgen de prijzen, ondanks de zware subsidiëring.
240 gram per dag
Tussen zes en halfacht mogen de inwoners van het Za’atari vluchtelingenkamp brood halen bij een van de vier distributiepunten in het kamp. Per persoon is er 240 gram brood.
Lokale medewerkers van Save the Childeren zijn verantwoordelijk voor het uitdelen van het brood.
De UNHCR heeft op dit moment ruim 600.000 vluchtelingen geregistreerd in Jordanië, bovenop de vermoedelijk 1,4 miljoen ongeregistreerde vluchtelingen in het land. Jordanië telt 8 miljoen inwoners.
Kinderen halen het brood
Traditiegetrouw wordt het brood in Syrië meestal door kinderen bij de bakker gehaald. Zo ook in het kamp. Omdat er door drukte en stress vaak ongeregeldheden onder de volwassen onstaan, heeft WFP geprobeerd dit te veranderen. De traditie bleek sterker dan gedacht. Tijdens de distributie houden bewakers de gang van zaken nauwlettend in de gaten.
Alles is lekker
Ahmad woont nu een jaar in het kamp en heeft net voor acht personen brood gehaald. Thuis in Syrië haalde hij het brood van de bakker om de hoek, maar die is nu verwoest. Hij klaagt niet over de kwaliteit van het brood in het kamp omdat hij na een jaar belegering van zijn dorp ervaren heeft wat honger is. Nu is alles lekker.
Per familie is er één brooddistributiekaart waarmee ‘s morgens vers brood kan worden gehaald. Om de vijftien dagen moet de kaart opnieuw worden opgehaald en geregistreerd. Hierdoor krijgt WFP een goed overzicht van wie zich nog wel en niet meer in het kamp bevindt. Het kamp heeft een constante stroom van bewoners die komen en weer gaan. In de piektijd in 2012 woonden er bijna 144.000 mensen.
Vier distributiepunten
Het kamp, met een totaal oppervlak van 3,3 vierkante kilometer, heeft vier distributiepunten waar mensen op hetzelfde tijdstip in de rij moeten staan voor hun brood. WFP zoekt naar een manier om de brooddistributie net als de voedseldistributie uit te besteden aan een commerciële partner. Sinds maart van dit jaar staan er twee commerciële supermarkten in het kamp waar inwoners met vouchers voedsel kunnen kopen. Het voordeel van dit systeem is dat de inwoners van het kamp weer keuzevrijheid en eigenwaarde krijgen. Brood durft WFP nog niet uit handen te geven aan een commerciële partner, want het is van cruciaal belang dat de verstrekking ordelijk en betrouwbaar verloopt om onrust onder de bewoners te voorkomen.

Geen opmerkingen: