vrijdag 30 september 2011

the Making of the Relief of the City of Leiden (1574) Erwin Olaf Photography



The city of Leiden was besieged from 1573 until 1574, when it was finally relieved. Leiden’s Relief (Leidens Ontzet) is celebrated annually in order to commemorate the siege during the Eighty Years’ War and the relief of the city on October 3, 1574.
The siege and the relief of the City of Leiden took place during the Eighty Years’ War (1568-1648). Intially the City Council remained loyal to the Sovereign Lord King Filips II of Spain, but in June 1572, the city chose to be loyal to Prince William of Orange. In an attempt to regain power over the city, the Spanish starved the inhabitants of Leiden in order to force them to surrender. During the second siege, 6000 of the 18000 inhabitants of Leiden died of starvation and the plague. The City Council remained unmoved and would not even consider surrendering to the Spanish oppressor.
The “(water)geuzen” pierced the dikes at Rotterdam and Capelle aan den IJssel in September 1574, in order to flood the polder lands. The outcome of this action depended on the winds which would have to move the water towards Leiden. The City Council did not surrender to the Spanish King as they had been informed of the plan to relieve the city.
The water rose high and so the Spanish troops fled. According to tradition, it was the little orphaned boy named Cornelis Joppenszoon that found a hotpot (hutspot) in the deserted Spanish army camp Schans Lammen (near the current Lammebrug) and informed the citizens that Leiden had been freed. It was early morning when the Geuzen sailed over the Vliet into the city with a load of herring and white bread on board.
As a token of appreciation for the city’s brave resistance, William of Orange founded the University of Leiden on February 8, 1575.


Erwin Olaf schildert Leidens Ontzet

Tracy Metz
artikel artikel | Woensdag 28-09-2011 | Sectie: Overig | Pagina: 10 | Tracy Metz
De haring en het witbrood hebben plaatsgemaakt voor hotdogs en shoarma, maar nog steeds viert Leiden elk jaar op 3 oktober zijn bevrijding van de Spanjaarden.
Dit jaar doen de Universiteit Leiden en Museum De Lakenhal dat met de tentoonstelling Vrijheid! Leidens Ontzet 1574-2011, waarvoor fotograaf Erwin Olaf een aantal hedendaagse historiestukken heeft gemaakt. Op 31 oktober ontvangt Olaf uit handen van staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) de Johannes Vermeerprijs, de staatsprijs voor de kunsten waarmee een bedrag van 100.000 euro is gemoeid.
Olaf heeft zich onder andere laten inspireren door de schilderijen die van het Leidens Ontzet zijn gemaakt tussen de zestiende en de negentiende eeuw. Een daarvan is een doek uit 1861 van Jan Hendrik van de Laar, De Gebedsdienst na Ontzet Leyden, waarvoor de schilder - net als de fotograaf nu - een groot aantal figuranten opstelde in de Pieterskerk. Olafs grote groepstafereel meet twee bij bijna drie meter. De figuranten werden gevonden via een oproep in de lokale krant of zijn van terrassen in de stad geplukt, enkelen zijn professioneel model.
Technisch gezien ligt de uitdaging bij het vastleggen van enkele tientallen modellen in een grote historische ruimte, schrijft Olaf in een toelichting. Het gevaar dat hierin schuilt is dat het acteren en de compositie ondergeschikt worden gemaakt aan de techniek. Om dat te voorkomen heeft hij tijdens het fotograferen de grote scène in de Pieterskerk opgedeeld in drieën, die vervolgens door een Spaanse photoshop-specialist in kleuren en contrasten onzichtbaar aan elkaar zijn gesmeed. Hierdoor is de kans op een kloppend geacteerd en uitgelicht beeld vele malen groter, omdat ik veel meer aandacht kan besteden aan de acteurs en de details.
De regie werd er niet makkelijker op doordat hij zelf een vrouw met Down-syndroom, een kind van twee en een hond aan de cast toevoegde. Hier en daar duiken er hedendaagse attributen op - een iPod, een vrouw met een moderne halsketting, iemand die op teenslippers loopt.
Olafs interpretatie van het beleg is harder, donkerder, wellicht realistischer, dan die in de traditionele geïdealiseerde historiestukken. Zo laat hij met zijn beelden van pestdokters zien dat de pest - volgens nieuwe onderzoek van de universiteit - meer doden eiste dan de honger.
Er is meer dood en verderf, de wonden zijn echter, de wanhoop tastbaarder. En anders dan zijn schilderende voorgangers portretteert hij twee vrouwen als hoofdfiguur en zelfs een zwarte man, geïnspireerd door een zestiende-eeuws schilderij uit het Rijksmuseum van een welgestelde Afrikaanse koopman. Volgens Maartje van den Heuvel, curator fotografie bij de afdeling bijzondere collecties van de Universiteitsbibliotheek, heeft Olaf met deze opdracht een nieuw genre uitgevonden, dat van de 'historische fotografie'.
Tracy Metz
Info: Vrijheid! Leidens Ontzet 1574-2011, 30 sept. t/m 8 jan. in Museum de Lakenhal (lakenhal.nl) en de Universiteitsbibliotheek Leiden (bibliotheek.leidenuniv.nl). Olaf geeft interviews over dit project op 16 oktober om 15.00 uur in De Lakenhal en op 27 oktober om 14.00 uur op een middag van het tijdschrift Scherptediepte over fotografie en mediacultuur in Paradiso, Amsterdam.
Foto-onderschrift: 'Liberty - pest en honger tijdens het Leidens beleg', een van de foto's die Erwin Olaf maakte in opdracht van Museum De Lakenhal en de Universiteit Leiden.
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.












woensdag 28 september 2011

The times they were a changin' The Protest Box Martin Parr Gerry Badger Photography

The Protest Box

Martin Parr’s collection of photo books is one of the finest to have ever been assembled and THE PROTEST BOX is a box set which brings together five books from that collection as facsimile reprints. Parr has selected diverse books which each deal with the subject of protest in quite different ways. From the documentation of various protest movements to the actual book being a form of protest, all these reprints are gems within the history of photographic publishing. A few are known but many are new, even to the connoisseur of photography books. All these books are virtually impossible to locate, so these reprints will make a substantial contribution to our understanding of this sub-genre of the photobook. The box set is accompanied by a booklet which includes an introduction by Martin Parr, an essay discussing the wider context of these books by Gerry Badger, and English translations of all the texts in the books.



Five books in a box with a booklet, including essays by Martin Parr and Gerry Badger, and English translations of all texts from the original books
  • Enrique Bostelmann: América: un Viaje a traves de la injustica
    176 pages, 11.2 x 7.9 in. / 28 x 20 cm, tritone, hardcover
    Paolo Gasparini: Para verte major, América Latina
    180 pages, 9.7 x 8.7 in. / 24.5 x 22.2 cm, tritone, softcover
    Dirk Alveramnn: Algeria
    224 pages, 4.3 x 7.1 in. / 10.8 x 18 cm, tritone, hardcover
    Kitai Kazuo: Sanrizuka
    184 pages, 7.1 x 9.6 in. / 18 x 24.3 cm, tritone, softcover
    Paolo Mattioli and Anna Candiani: Immagini del No
    124 pages, 3 x 3.9 in. / 7.5 x 9.8 cm, tritone, softcover
    Limited edition of 1,000 boxed sets
  • 5 volumes
  • 888 pages
  • 20 cm x 28 cm
  • Softcover
  • Steidl
  • ISBN: 978-3-86930-142-6

 KITAI, Kazuo

Sanrizuka 
Tokyo: Nora-sha, 1971, the photographer's second book. A documentation of the Sanrizuka farmers' opposition and resistance to the government's plan to build Narita airport. Perhaps the most powerful and fully-realized production of all the Japanese protest books on this subject. Although not an official member of Provoke, Kitai was a pioneer in the photographic style championed by the group. His first book, Resistance, published in 1965, was greatly admired by Daido Moriyama and Takuma Nakahira








maandag 26 september 2011

Atget, archaeologist of vanishing Paris Eugene Atget Photography



THE LIFE OF EUGÈNE ATGET
Atget is among the most important figures in photography, internationally, and is regarded as the originator of documentary photography. He appears in every history of photography. His work inspired countless other great photographers and visual artists, including Walker Evans, Cartier-Bresson and Man Ray.


Born in 1857, in Libourne near Bordeaux and raised by his uncle, Atget’s youth was molded by his time as a sailor. Upon his return from the sea, Atget turned to the stage and pursued an acting career in provincial cities and later in Paris suburbs. After minor success as an actor, Atget abandoned the stage and at the age of forty took up painting, then quickly turned to his true life’s work as a photographer. For the next thirty years, until just a few short months before his death in 1927, Atget undertook a systematic documentation of the city of Paris, creating approximately five thousand negatives and nearly ten thousand prints.

Because he refused to work with the latest advances in photographic technology, Atget’s images evoke a sense of timelessness, due in part to the slower exposure times and the pre-visualization of the final image that was required. Atget produced glass plate negatives, using an 18 x 24 cm. view camera that was fitted with a brass rectilinear lens and had no shutter. Rather, Atget would simply remove the cap from the lens and capture the scene before him, allowing any motion to appear as a blur. Atget carried this large camera around Paris as he worked to document its essential elements: streets, shop windows, building facades, architectural details, and the landscape of the public gardens and parks in and around the city.

Atget’s unique documentation of the French capital captured the eye of surrealist photographer Man Ray who worked to promote Atget as one of the pre-eminent photographic modernists. Later, the efforts of Berenice Abbott, who acquired Atget’s negatives and prints after his death, finally situated Atget’s work in the history of photography where it continues to gain in stature and influence.



Travel: Envisioning Atget's Paris - nytimes.com/video from The New York Times on Vimeo.


ATGET & ABBOTT
Eugène Atget and the American photographer Berenice Abbott came to know each other during the 1920s via Man Ray. She attempted to help Atget achieve greater recognition during his lifetime by sending friends to purchase his work and by making a celebrity-style photographic portrait of him. After Atget's death in 1927, Abbott acquired a large part of his archive and exhibited, printed and wrote about his work. She arranged for New York's Museum of Modern Art to buy this archive. In the 1920s/1930s she photographed New York in the same style as Atget photographed Paris. This documentary New York en Parijs – Door de lens van Abbott & Atget tells their story. (most in English).

& watch the documentary here


 

Atget, archeoloog van verdwijnend Parijs

Raymond van den Boogaard
artikel artikel | Vrijdag 23-09-2011 | Sectie: Overig | Pagina: 20 | Raymond van den Boogaard
De buurman wordt bedankt. Eugène Atget (1857-1927) voelde er helemaal niets voor dat de duizenden foto's die hij tussen 1897 en 1927 maakte van de stad Parijs als 'kunst' zouden worden aangemerkt. Toen zijn buurman in Parijs, de beroemde surrealistische fotograaf Man Ray, in 1926 een paar foto's van Atget wilde afdrukken in het clubblad van de Surrealistische beweging, La révolution surréaliste, bedong Atget dat zijn naam er niet bij kwam: het is maar documentatie.
Geholpen heeft het niet. Na zijn dood in 1927, onder behoeftige omstandigheden, kreeg Atget postuum alsnog de naam een van de groten in de geschiedenis van de kunstfotografie te zijn. Het Fotomuseum in Rotterdam biedt nu voor het eerst op Nederlandse bodem een overzicht van zijn werk. Een eenmalige kans: na deze tentoonstelling, die al in Madrid heeft gestaan en na Rotterdam nog naar Sydney en Parijs gaat, kunnen de door Atget zelf vervaardigde prints zeker tien jaar niet meer aan licht worden blootgesteld, op straffe van blijvende beschadiging. Dat hangt samen met een ander facet van de hardnekkige natuur van Atget, die stug bleef vasthouden aan in zijn tijd al verouderde technieken voor fotograferen en afdrukken.
Hij zwoer bij de handmatige belichting van chemisch geprepareerde glasplaten, in zo'n kist met de fotograaf onder een zwarte lap, ook toen - in de jaren 1890 - de moderne film op celluloid al zijn intrede had gedaan. En tot na de Eerste Wereldoorlog, toen het écht nergens meer te krijgen was, drukte hij af op albumin-papier, dat was bewerkt met het wit uit eieren.
Al vlug zag Atget dat er afnemers zouden kunnen zijn voor foto's die verdwijnende stadsgezichten en interieurs documenteerden. Zijn meeste werk bestaat uit lange reeksen oude straten, winkels, puien, gebouwen, ornamenten aan deuren.
Mensen waren niet zo zijn ding - door de lange belichtingstijd die de glasplaat-fotografie benodigt, kwamen die meestal toch maar vaag en bewogen over. Als hij al mensen fotografeerde was het meestal in het kader van zijn archeologische belangstelling voor het verdwijnende, oude Parijs: verdwijnende beroepen, venters en prostituees in voor de afbraak bestemde wijken. Zo maakte hij een intrigerende serie over de sloppenwijken en hun sociaal-marginale bewoners op de stadswallen van Parijs, die bij het Duitse beleg van de stad in 1870 geheel nutteloos waren gebleken en nog voor het einde van de eeuw werden afgebroken. Met dit documenterende werk verdiende hij zijn geld: zijn afdrukken werden bij duizenden afgenomen door archieven in binnen- en buitenland.
In het geheel geen belangstelling had Atget voor de moderne stad van zijn tijd, met de grote doorbraak-boulevards, de mondaine voorbijgangers enzovoorts. Daarin verschilt hij van de meeste andere fotografen van zijn tijd, en ook van de tegen het eind van de eeuw tot bloei komende prentbriefkaartenindustrie. Deze omissie werd de fotograaf dus niet zozeer door artistieke, maar door praktische overwegingen ingegeven: het had commercieel geen zin om te gaan documenteren wat iedereen al voor de lens had. Het kan raar lopen: juist door zijn zelf opgelegde beperkingen werdAtget, na zijn dood, als een 'auteur' gezien, iemand met een heel unieke kijk op de stad.
Atgets grootsheid is op heel verschillende manieren gevierd. Als een voorloper van de surrealistische fotografie bijvoorbeeld - de surrealisten hielden wel van het streng-observerende karakter van Atgets foto's, waarbij de afbeelding uit zijn context kon worden losgemaakt. De manier waarop Man Ray de foto's van Atget anoniem in La révolution surréaliste nummer 7 van 15 juni 1926 zette, is van die benadering een kras voorbeeld. 'Les dernières conversions' (de laatste bekeringen) staat er bij een foto van een groep mensen die op straat in Parijs een zonsverduistering volgen.
De grote internationale bekendheid van Atgets werk is vooral de verdienste van de Amerikaanse fotografe Berenice Abbot, in de jaren twintig in Parijs assistent van Man Ray. Zij kocht na de dood van Atget duizenden prints en 1.787 glasplaat-negatieven en nam die mee naar de VS. Onvermoeibaar ijverde zij voor het werk, totdat het Museum of Modern Art (MoMA) in New York in 1968 een expositie organiseerde en Atgets naam definitief werd gevestigd. De meeste (181) afdrukken in Rotterdam zijn echter afkomstig uit de collectie van het Musée Carnavalet in Parijs.
Info: Eugène Atget - vieux Paris. Van 24 sept. tot 8 januari 2012 in het Nederlands Fotomuseum Rotterdam. Inl: nederlandsfotomuseum.nl ****
Foto-onderschrift: 'Rue Asseline, 1924-1925'
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.




Rue St Jacques, Paris, c1900.
Photographer: Eugene Atget.





vrijdag 23 september 2011

Olivetti 1908 - 1958 Gerry Badger's Choice of Company Photobooks Industrial Design Photography




Olivetti 1908 - 1958

Publisher: Ing. C. Olivetti & C. S.p.A. [stampa: Tiefdruckanstalt Imago AG - Zürich, Svizzera] 1958 (ottobre), Ivrea
Publication Date: 1958

copertina illustrata a colori di Giovanni Pintori, impaginazione di Max Huber, numerose fotografie in nero e a colori. A cura di Giorgio Soavi. Testi di Adriano Olivetti, Libero Bigiaretti e Franco Fortini. Fotografie di D. Arden, A. Ballo, E. Hartmann, L. Lionni, J. Maltby, U. Mulas, W. Miller, F. Roiter, A. Rossi, E. Scheidegger, E. Schulthess, M. Zanuso. Prima edizione, versione in lingua inglese (traduzione di Milton Gendel). Formato in centrimetri 28,5x23 190 (2)pagine Legatura legatura editoriale cartonata, dorso in tela, sovraccopertina. 


The Olivetti Portable Typewriter That Stopped New York



















It's just a week more than 56 years since Life magazine came out with its three-page spread of a typewriting version of Candid Camera.In May 1954, Olivetti set up a Lettera 22 portable typewriter, bolted to a stand on the sidewalk outside its new New York City showroom on Fifth Avenue, near 47th Street. Within 10 months, 50,000 people had stopped to use the machine. Life photographer Michael Rougier set up a screen through which he could snap the people who stopped to try out the Olivetti. Let's start with a Messenger who, like me, couldn't type:
These two photographs appear in the Olivetti company 1908-1958 history book (in the top one, you can make out people typing outside the building). Both are taken from inside the showroom, which Olivetti claimed had "become a landmark on Fifth Avenue ... [it] was designed by Belgiojoso, Peressutti and Rogers."
by Robert Messenger

donderdag 22 september 2011

Jack the man who found a job everywhere Jack London Photography



on Jack London, Photographer, by Jeanne Campbell Reesman, Sara S. Hodson and Philip Adam (University of Georgia Press)


Jack London’s fame was assured when he sold The Call of the Wild to Mac millan in 1903 for today’s equivalent of $15,000. Yet that year also saw the publication of The People of the Abyss, London’s extraordinary photojournalistic narrative of poverty in London’s East End. Impersonating a runaway American sailor, London rented a small room, bought some used clothes, and walked the streets. His disguise and manner must have obscured the intrusion of his Kodak 3A, a postcard-format roll-film folding camera. He photographed drunken women fighting, children dancing to a street organ, and men sleeping under the arches of bridges in the raw cold.
LondonVagrant.jpgThe People of the Abyss anticipates the Margaret Bourke-White and Erskine Caldwell colla borationYou Have Seen Their Faces and Bill Brandt’s A Night in London (both published in 1938), not to mention the Evans/Agee masterpiece Let Us Now Praise Famous Men. Through a blessing of great timing, London became a major contributor to (and beneficiary of) the early boom in mass media and the rise of photojournalism. The first American magazine to be based primarily on photography, the Illustrated American, appeared in 1890. Yet we have had only a vague impression of London’s photographic accomplishments or the scope of work among the more than 12,000 images he produced. Until now. For the illuminating Jack London, Photographer, Philip Adam made silver gelatin prints from scanned originals, reproduced as duotones in this book.

Mark Twain may have been the most widely photographed American of his time, but London follows close behind. As he traveled for Hearst as a reporter, a photo of him in the field often accompanied his published dispatches. His face appeared in ads for typewriters, grape juice, and cigarettes. He understood the power of an image and had an early interest in photography – and he regretted never having taken a picture in the Klondike, the locale usually associated with him. He developed many of his photographs.

LondonWCamera.jpgIn their introduction, the editors note, “The artistic and historical value of London’s photographs makes them an accomplished body or work. Of course, London was not primarily a photographer who had adventures but rather an adventurer and writer who made photographs. Yet he thought of himself as a professional: he expected to sell his photographic output just as he did his writing. His photographic work includes virtually no touristic photographs.”

In 1904, Hearst sent London to cover the Russo-Japanese War. (The United States and Britain were supporting the Japanese with financial aid and diplomacy.) Taking photos of the Japanese, London was arrested several times but never ill treated. On one occasion after his camera was confiscated, Japanese photographers conspired to recover his equipment. London made his way to Korea where Japan’s forces had advanced. One night in Seoul, he gave a reading of The Call of the Wild to an audience of Japanese officers. Clearly, London was a global celebrity. Meanwhile, Hearst complained that London’s dispatches sounded more like short stories than hard news or descriptions of battles.

LondonJapan.jpgLondon’s photography is generously displayed in this large-format book – the images are large, cushioned in white space, and frequently supplemented with London’s commentary. The running narrative by the editors is both an appreciative critique of the photographs and a history of their significance to the culture of the time. But London himself was always a story – and he comes across as a living presence among his photography.

At 5:13 am on April 18, 1906, London and his wife were asleep in their Sonoma ranch when the earthquake struck San Francisco. Thirty minutes later, they were on their horses, riding to the train station at Santa Rosa. By the afternoon, they were in San Francisco and, as London wrote, “we spent the whole night in the path of the flames.”

“In his photographs as in his fiction,” the editors write, “London most often sought to capture the common emotional life of his subjects – not a culture, but the individuals who made it up. Even in his photographs of the many buildings destroyed by the San Francisco earthquake, his compositions evoke the human toll of the cataclysm, sometimes by contrasting the size of human subjects with the massive ruins around them … He was drawn to any subject that indicated something of the struggle to survive.”

LondonSSeas.jpgJack London, Photographer is organized around his major travel projects – the earthquake section being the striking exception: London took very few photos of the places where he lived. The final three chapters follow his documentation of sailing trips to the Hawaiian Islands, the Marquesas, Solomon Islands, and Bora Bora. London presciently feared the demise of these cultures. His coverage of the Mexican Revolution in 1914 brought his final photos, and he died in 1916 at age 40.

London called his photographs “human documents,” a phrase he picked up from Edmond Goncourt. This wonderful book, packed with London’s notes on the images he had taken so selectively, strongly communicates his unique humanity and his respect for people striving to live among battering biological and social forces.
Ron Slate's blog



Jack: de man die overal werk vond

Sebastiaan Kort
artikel artikel | Donderdag 22-09-2011 | Sectie: Overig | Pagina: 14

Als een van de eersten deed Jack London aan het begin van de twintigste eeuw verslag van de wereld. In woord, maar ook in beeld.

Jack London schreef, en wie over hem leest in het fotoboek Jack London, Photographer, ontkomt niet aan de indruk dat hij dit voornamelijk lopend, varend en te paard moet hebben gedaan.
Een zin uit het boek die alles zegt over het vaatje energie dat Jack London heette: Behalve verslag doen van de Russisch-Japanse oorlog, voer London met een zeilboot over de Stille Oceaan, sloot hij zich bij een groep dakloze mannen aan tijdens een mars naar Washington; doorkruiste hij de Canadese Klondike-regio; legde hij de armoede vast in Oost-Londen; deed hij verslag van de Amerikaanse invasie van Veracruz in 1914; reisde hij langs universiteiten voor socialistische bijeenkomsten; schreef hij over de naweeën van de aardbeving in San Francisco; beschreef hij de gevechten van bokser Jack Johnson voor een internationaal publiek en bouwde hij een zeilschip genaamd The Snark, waarmee hij in 1907 en 1908 onder meer de leprozen van Molokai opzocht [vertaling, SK].
De goudkoorts in Canada, oorlogen in Korea en Mexico, bokswedstrijden, leprozen in Hawaï, de onderklasse in Londen: Jack London zag het en schreef erover. En dat allemaal in een tijdspanne van zo'n vijftien jaar, want London stierf in 1916 op slechts veertigjarige leeftijd.
Jack London, in 1876 in San Francisco geboren als John Griffith Chaney, is nu voornamelijk nog bekend vanwege zijn romans White Fang (1906) en Call of the Wild (1903). Hij wordt gezien als een auteur uit de traditie van het naturalisme. Behalve fictie schreef London non-fictie en reportages voor kranten en tijdschriften. Deze werden vaak geïllustreerd met foto's van London zelf. Rond 1900 verscheen er een eerste golf handzame fototoestellen op de markt. Die maakten het London mogelijk zijn onderwerpen niet alleen in woorden, maar ook in beeld te vangen. 12.000 foto's maakte hij in totaal, maar hoe hoog de kwaliteit hiervan is bleef tot dusver onderbelicht.
Jack London, Photographer moet hier verandering in brengen. De samenstellers van het boek jubelen het uit wanneer ze de 200 voor het boek geselecteerde foto's met een voorwoord bij de lezer introduceren. Ze roemen, behalve Londons beheersing van de in die tijd nog beperkte fotoapparatuur, zijn benadering van de mensen in de gebieden waar hij kwam. Human documents, noemen ze de foto's, omdat London in welk gebied dan ook altijd de waardigheid van de mensen die hij fotografeerde centraal zette. London week af van de in zijn tijd gangbare wijze van fotografie door de mensen in uitheemse plekken niet als een groep primitieven te portretteren, maar als individuen.
In Londen legde hij de mensen aan de onderkant van de samenleving vast. Als een vroege Günter Wallraff kleedde hij zich in versleten werkmanskleding en doolde hij 's nachts met een camera over de straten om embedded de dakloze, wanhopig naar een slaapplaats zoekende onderklasse vast te leggen. Het leverde spookachtige beelden op, zoals op de foto die London maakte in Green Park, het park dat anno 1902 al om vier uur 's ochtends de poorten opende en daardoor een toevluchtsoord was voor uitgeputte Londenaren. Zonder toelichting zou je denken dat je op de foto een locatietheatervoorstelling of flashmob ziet. Met de armen om zich heen geslagen tegen de optrekkende kou liggen de mannen synchroon in het bedauwde park. Op de achtergrond de statige Engelse huizen waar op datzelfde moment ongetwijfeld óók mensen in lagen te slapen.
In 1904 spoedde London zich per stoomboot, trein, sampan en zeilschip naar Korea en China, om daar de Russisch-Japanse oorlog te verslaan. Zijn favoriete Kodak 3A-toestel werd er meerdere malen door de Japanse autoriteiten geconfisqueerd, omdat hij aan het front aangezien werd voor een Russische spion die de Japanse militaire stellingen fotografeerde. Een correspondent van het blad Collier's sprak zijn bewondering uit over Londons onverschrokkenheid. London is een van de meest heldhaftige mensen die ik ooit heb ontmoet. Hij is net zo heroïsch als de personages uit zijn romans. [...] Hij weet niet wat angst is en is bereid om zijn leven op het spel te zetten. Een correspondent van de Daily Mail zei dat London zich in het oorlogsgebied meldde met een halo van avontuur rond zijn hoofd.
Avonturier of niet, de meest indrukwekkende foto's die London in Korea en Mantsjoerije maakte hebben weinig met de oorlog te maken. Vissers, meisjes in een haven, een kapper: eigenlijk is aan niets op de foto's af te leiden dat om hen heen op dat zelfde moment een oorlog woedt. Wel zijn de foto's indringend en van een messcherpe kwaliteit, wat gezien de omstandigheden waaronder London zijn camera's een rollen film de wereld over sleepte een klein wonder mag heten.
De samenstellers van Jack London, Photographer zijn het best te spreken over de foto's die London maakte voor zijn boek The Cruise of the Snark (1911), waarvoor hij met een zeilboot afreisde naar onder andere de Solomon-eilanden, Samoa en Hawaï. De gebieden werden rond de eeuwwisseling doorgaans aan het Westerse publiek gepresenteerd als plaatsen waar de laatste nobele wilden leefden. Allerlei mensen - fotografen, schrijvers, antropologen - haastten zich om 'het primitieve' vast te leggen voordat het zou verdwijnen, schrijven de samenstellers.
In het begin van zijn leven, onbereisd en onervaren, zou London misschien ook die stereotype beeldvorming hebben gekozen. In zijn autobiografische boek John Barleycorn vatte London namelijk zijn oerreislust als volgt samen: Ik wilde weg van de eentonigheid en de gemeenplaats. Ik was in de bloei van mijn jeugd, zat vol romantiek en avontuur, en droomde van een wild leven in de wereld van de wildeman. Wildemannen legde London niet vast. Zelfbewust en krachtig kijken de mannen en vrouwen in de camera, zoals een betoverend mooie vrouw op Samoa.
London verdeelde zijn tijd tussen de schrijfmachine en de donkere kamer, maar zag de camera niet als een werktuig om zijn schrijven aan te vullen. Defotografie was een autonoom medium, waarin iets heel anders getoond kon worden dan in taal. Hij dichtte de fotografie misschien wel meer zeggingskracht toe dan de literatuur. Toen San Francisco in 1906 getroffen werd door een aardbeving en een brand waarbij 3.000 doden vielen, spoedde London zich (te paard uiteraard) naar zijn geboorteplaats om de gevolgen van de ramp te aanschouwen. Ik zal er nooit voor wie dan ook over schrijven, schreef London aan zijn vrouw Charmian. Waarom zou ik het proberen? Iemand zou alleen maar grote woorden aaneen kunnen rijgen, om vervolgens woedend te worden vanwege de futiliteit ervan.
Sebastiaan Kort
London meldde zich aan het front met een 'halo van avontuur' om zijn hoofd De dood van een socialist In Jack London (1876-1916) klopte niet alleen een reislustig, maar ook een socialistisch hart. Hij was in de VS lid van de socialistische partij. In zijn boek The People of the Abyss liet hij in woord en beeld de welvaartsverschillen in Engeland zien, met The Iron Heel schreef hij een dystopische roman over een Amerika dat gebukt ging onder een tirannieke overheid. De vrij plotselinge dood van London op 22 november 1916 heeft tot veel theorieën geleid. De één beweert dat de schrijver te veel dronk, een ander dat London zelfmoord pleegde. Duidelijk is wel dat hij leed aan een nierziekte en dat hij ten tijde van zijn dood morfine gebruikte.
Info: Jack London, Photographer verscheen bij uitgeverij Georgia University Press. 288 blz. Ca. 55 euro.
Foto-onderschrift: In 1906 reisde London af naar het door een aardbeving en brand geteisterde San Francisco. Op de foto de westzijde van het verwoeste stadhuis van de stad. Van boven met de klok mee: slapende mensen in een park in Londen (1902), Ernest Darling (door London 'Nature Man' genoemd: een van Londons reisgenoten op zeilschip The Snark (Tahiti, 1907), een kapper in Chinees Mantsjoerije (1904), een vrouw op Samoa (1908). London fotografeert The Snark in aanbouw
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.