woensdag 26 september 2007

Vogue Iraq Partyland NRC Steven Meisel make Love not War


Steven Meisel
From Wikipedia, the free encyclopedia

Steven Meisel (born 1954) is an American photographer, who obtained popular acclaim with his work in US and Italian Vogue and his photographs of friend Madonna in the latter's 1992 book Sex designed by Fabien Baron. He is now considered one of the most successful fashion photographers in the industry, shooting regularly for both US and Italian Vogue and lately W (also edited by Condé Nast).

Modeblad Vogue choqueert met ‘Irak Partyland’
Door Corine Vloet Londen, 26 sept.

Een modereportage in het septembernummer van de Italiaanse Vogue van fotograaf Steven Meisel zorgt voor ophef en felle debatten in kranten en op internet.
Onder de titel ‘Make Love Not War’ toont Meisel – geënsceneerde – modefoto’s die in Irak gemaakt lijken te zijn, temidden van Amerikaanse soldaten. „De meest misselijkmakend smakeloze modefoto’s ooit,” schreef de Britse krant The Guardian. Op webfora noemt men de serie „pornografisch” omdat die „een reeds obscene, criminele en tragische situatie” zou „romantiseren”, verkrachting „verheerlijkt” dan wel oorlog „trivialiseert”. Amerikanen met familieleden in het leger zijn verontwaardigd over de afbeelding van de soldaten. Anderen vinden het juist „kunst” en zien er commentaar in: „Het zijn de Amerikanen zelf die de oorlog glamoureus afschilderen. De Amerikaanse media duwen je dat door de strot”, aldus een van de bijdragen.

Meisel, die hoofdzakelijk voor Vogue Italia en de Amerikaanse Vogue werkt, is een van de meest gewilde modefotografen ter wereld. Hij staat bekend om zijn confronterende aanpak – hij fotografeerde bijvoorbeeld Madonna’s boek Sex.

Deze reeks is losjes geïnspireerd op de Amerikaanse legerbases in Irak; zowel de vrouwen als de ‘soldaten’ zijn modellen. We zien een tegenstribbelende vrouw in de modder, in bedwang gehouden door een soldaat. Een naakte vrouw staat wezenloos in een legertent met een lap stof voor haar lichaam, alsof ze net is verkracht. De serie eindigt met een soldaat die een dode vrouw draagt, geflankeerd door de wapperende, besmeurde Stars and Stripes.

Zoals vaker bij modereportages spelen de kleren in ‘Make Love Not War’ een ondergeschikte rol. De kledingstukken zijn nauwelijks te zien. We zien de soldaten en hun ‘prostituees’ roken, drinken, zonnebaden – Irak Partyland. De associaties met geweld en andere uitspattingen liggen er zo dik bovenop dat dit wel haast de bedoeling moet zijn: Meisel wil weerzin opwekken.

Meisel geeft nooit toelichting op zijn werk. Maar hij heeft vaker series met sociaal-kritische parodieën gemaakt, steeds voor Vogue Italia. In een serie uit 2005, met de titel ‘Makeover Madness’, nam hij de plastische chirurgie op de hak. Hetzelfde jaar fotografeerde hij ‘gewone’ modellen als celebrities in paparazzo-stijl. Zijn meest controversiële mode-shoot tot dusver was ‘State of Emergency’ uit 2006: politieagenten met wapenstokken en honden die meisjes fouilleren, ondervragingsscènes, een vrouw op haar knieën met de armen achter haar hoofd, scanners en het doorzoeken van bagage op een vliegveld.

Meisel maakte de indruk inspiratie te hebben gezocht bij de groeiende veiligheidsmaatregelen in de Verenigde Staten, en door de beelden uit de Abu Ghraibgevangenis. Ook ‘State of Emergency’ stond destijds in het septembernummer van Vogue Italia.

Opvallend zijn de overeenkomsten tussen Meisels modereportage en een tv-advertentiecampagne van het Amerikaanse leger, ‘Army Strong’. Meisel lijkt diep sarcastisch, kritisch commentaar te willen leveren, en maakt daarvoor gebruik van het medium dat hij beheerst – de modefotografie.

NRC 26 september 2007




zaterdag 22 september 2007

Hans Eijkelboom Paris—New York—Shanghai

Paris—New York—Shanghai

In his new project Dutch artist Hans Eijkelboom creates a comparative study of three major contemporary metropolises, showing how culture has become universal and instant communication has united East and West, diminishing individuality and collapsing geographic boundaries. Paris stands in for the nineteenth century; New York the twentieth and Shanghai the twenty-first. As Eijkelboom writes, “Globalization, combined with the desire of cities for visually spectacular elements, is leading to the appearance everywhere of city centers that look the same and where identical products are sold." Eijkelboom is a conceptual artist whose work is very much in line with—and early on, contemporaneous with—the deadpan, seemingly mechanistic note-taking of Ed Ruscha, Hans-Peter Feldman, and Joseph Kosuth. He has frequently used photography to question the interaction between the individual and society as mediated through images. Another element consistent throughout the three decades of his work is an interest in typologies—both in their anthropological, organizational potential and in his ability to distort or redirect that potential in ways that reveal the inherent subjectivity of the objective “category.”

Book : Paris—New York—ShanghaiPhotographs by Hans EijkelboomIntroduction by Martin Parr10 1/2 x 8 1/4 in. 240 pages (three 80-page volumes) 250 four-color images Hardcover; triple-volume binding.

Voor ‘Paris-New York-Shanghai’ wandelde Eijkelboom eindeloos door deze steden en observeerde het straatbeeld. Als hij een bepaald thema of onderwerp ontdekte dat zich vaak herhaalde of zich dominant manifesteerde ging hij over tot fotograferen. 'Toen ik op dinsdag 21 maart 2006 ongeveer vijftien minuten op de hoek van Broadway en de 34e Straat had gestaan, ging mij opvallen dat veel mensen kleding met camouflagekleuren droegen. Na deze vaststelling heb ik tussen 13.30 en 14.45 uur iedere voorbijganger in camouflagekleding gefotografeerd', aldus Hans Eijkelboom.Op deze wijze is Eijkelboom tot zo’n dertig fotoseries gekomen die worden gepresenteerd in heldere reeksen waarvan het onderwerp meteen duidelijk is: vrouwen met een Louis Vuitton tas, taxichauffeurs, moeder met kinderen, mannen met een gestreept poloshirt. In elk van de drie metropolen zijn reeksen ontstaan met eenzelfde onderwerp die in samenhang worden getoond. Elk reeks toont unieke individuen, en tegelijkertijd de gelijkvormigheid van de massa in de stedelijke omgeving. Deze uiterlijke overeenkomsten lijken in onze huidige wereld de verschillen in cultuur, geschiedenis te overvleugelen.

Het project ‘Paris-New York-Shanghai’ is onderdeel van het veel omvangrijkere project ‘Fotonotities’ dat Eijkelboom startte op 8 november 1992 en dat zal eindigen op 8 november 2007. Uitgangspunt is gedurende vijftien jaar op zijn minst vijf dagen per week tussen de een en tachtig foto’s te maken. Zo ontstaat een fotografisch dagboek waarin Eijkelboom verslag doet van de wereld waarin hij leeft en waardoor hij wordt beïnvloed en gevormd. Dit project ligt in het verlengde van de thema’s waarmee Eijkelboom al sinds 1973 bezig is: de relatie tussen individu en medemens, de totstandkoming en vormgeving van iemands identiteit en de relatie tussen identiteit en wereldbeeld.

Lees meer... , De spanning tussen identiteit en gelijksoortigheid , Een momentopname als wereldbeeld

Zie meer, Rode jassen ...

Luister naar Hans Eijkelboom...

vrijdag 21 september 2007

In the Shadow of Horror, SS Guardians Frolic

Holocaust Memorial Museum - Karl Höcker - Auschwitz _Photographs - New York Times

Auschwitz through the lens of the SS: Photos of Nazi leadership at the camp

Alledaagse inkijkjes in de gruwel

NRC Door onze redacteur Bas Blokker 21-09-2007
Rotterdam, 21 sept. Kampbewaarders van Auschwitz die zonnebaden. Foto’s als deze laten met een schok een nieuw beeld van de Tweede Wereldoorlog zien. Ze zijn deze week anoniem geschonken aan het Holocaust Memorial Museum in Washington.
Je zou zeggen: een schoolreisje. Meisjes op de brug, ze hebben staan zingen op de muziek van de accordeonist en worden overvallen door de regen. Ze gieren het uit. We zien de bergen en de naaldbomen die bij het rivierdal horen en we kunnen ons de wandeling voorstellen die ze net hebben gemaakt. Vakantie.
Dit is het bos rond de Solahütte, de Sola-hut. De onzichtbare rivier in het dal is de Sola, die stroomde langs de uiterste grenzen van concentratiekamp Auschwitz. De mannen op de foto zijn SS’ers die in het kamp werkten en de meisjes zijn hun Helferinnen.
Het is zomer 1944 en er is hard gewerkt de afgelopen maanden. Dit is de tijd dat de Hongaarse joden naar de kampen zijn getransporteerd om te worden uitgeroeid. Tussen 15 mei en 9 juli 1944 verdwijnen 400.000 Hongaarse joden in Auschwitz. Als deze foto wordt gemaakt is het 22 juli, zo blijkt uit het bijschrift bij andere foto’s van dezelfde gelegenheid: ‘Mit den SS-Maiden auf der Solahütte 22.7.44’.
De man in het midden heet Karl Höcker. Hij was in mei van dat jaar adjudant geworden van de nieuwe kampcommandant Richard Bär. Höckers fotoalbum, waar deze plaat in staat, werd in januari dit jaar door een anoniem gebleven schenker opgestuurd naar het Holocaust Memorial Museum in Washington. Woensdag is de vondst van het album wereldkundig gemaakt.
Foto’s als deze wekken nog steeds verbazing en een aan schrik grenzende gêne op. Zo alledaags kan en mag een gruwelijke oorlog eigenlijk niet zijn. Het is in wezen dezelfde reactie als bij de kleurenfoto’s die Alphons Hustinx maakte van bezet Nederland. Zulke simpele straatbeelden staan haaks op de gestolde versie van de oorlog in grofkorrelig zwart-wit, met marcherende Duitsers, bange gezichten bij de omstanders en de tram die niet rijdt. Zo is het collectieve Auschwitz-beeld een uitgemergelde gevangene in een streepjespak of een rij vrouwen en kinderen op het treinperron. Maar nooit lachende meisjes met bosbessen in de zon.
Zestien kartonnen pagina’s beslaat het album van Karl Höcker, met in totaal 116 foto’s. Foto’s van Höcker en zijn kameraden in en om het kamp Auschwitz. Rudolf Höss staat er op, die in 1940 als commandant over Auschwitz werd aangesteld. Höss was in 1943 vervangen, maar werd in de drukke zomer van 1944 teruggestuurd naar Auschwitz om de selectie en vergassing van de Hongaren in goede banen te leiden. Joseph Kramer, commandant van het nabijgelegen vernietigingskamp Birkenau staat er soms bij, sigaretje of sigaartje in de hand. Ook de beruchte dokter Joseph Mengele staat op enkele foto’s in Höckers album.In het album staan verder foto’s van Höcker met zijn herdershond en van het jolige uitje op 22 juli naar de bergen en de bossen die het kamp Auschwitz aan het zicht van de buitenwereld onttrokken.
22 Juli 1944 was een relatief rustige dag voor het kamppersoneel, zei Judith Cohen, historicus in dienst van het Holocaust Museum, eerder deze week tegen een journalist van de New York Times. In Birkenau kwamen die dag 150 nieuwe gevangenen in het kamp aan, 117 van hen gingen direct naar de gaskamers, 21 mannen en 12 vrouwen werden te werk gesteld.
Het museum verwijst zelf bij de foto’s van Höcker bijna haastig naar het zogenoemde Auschwitz-album. Dat is, om het maar oneerbiedig te zeggen, het ‘officiële’ fotoboek van het kamp, waarbij Duitse fotografen de aankomst en selectie van joden in het kamp in beeld brachten. Het Auschwitz-album werd ontdekt door de Hongaarse jodin Lili Jacob, die het in 1983 aan het museum Yad Vashem in Jeruzalem schonk. Vergelijking van de twee albums, schrijft het Holocaust museum op zijn website, is „gepast en noodzakelijk”. Het lijkt wel of het museum de foto’s van deze onbezorgde jonge kampbewaarders niet zonder commentaar de wereld in durft te sturen. „Men wordt geschokt door de immoraliteit van het album. Zijn album bevat geen gaskamers, martelkelders of zelfs maar dwangarbeiders.”
Dat klopt, de wereld in het fotoalbum van Karl Höcker is van een kameraadschappelijke orde die voor de Duitse kampbewaarders waarschijnlijk normaal was. Commandant Höss had altijd op ordelijkheid aangedrongen. Hoewel hij in zijn verhoren tijdens het Neurenberg-proces deed voorkomen alsof ruwe bejegening van niet naar de gaskamer gevoerde joden excessen waren en geen regel, hanteerde Höss wel degelijk strenge regels in het kamp: De pas aangelegde tuinen vormen het sieraad van het kamp. Het moet voor elke SS’er vanzelfsprekend zijn dat hij de tuinen met rust laat en de bloemperken niet betreedt.”
Höcker wist uit Auschwitz te vluchten voordat het Rode Leger het kamp bereikte op 18 januari 1945. Hij belandde in Britse krijgsgevangenschap en werd daaruit in 1946 al vrijgelaten. Pas in de jaren zestig, in de nasleep van het Eichman-proces, werd de Auschwitz-adjudant opnieuw gearresteerd. Hij was toen bankemployee in zijn geboortestad Engershausen.
In augustus 1965, na een proces van twee jaar, werd Höcker tegelijk met enkele andere voormalige nazi’s veroordeeld tot zeven jaar cel en vijf jaar ontzetting uit zijn burgerrechten wegens hulp bij moord, volgens de rechtbank bewezen voor 3 gevallen waarbij telkens duizend slachtoffers betrokken waren. Toen Höcker in 1970 vrijkwam, kreeg hij zijn baan bij de Kreissparkasse weer terug en wijdde zich thuis aan zijn tuin. In 2000 stierf hij, 89 jaar oud.
Höckers huisje anno 2007

Het fotoboek van SS’er Karl Höcker uit 1944 ging vorige week de wereld over. Het vakantiepark waar veel foto’s gemaakt werden, blijkt nog steeds te bestaan.

DoorHANS CITROEN29 SEPTEMBER 2007

Mijn vriendin Barbara Starzynska, in 1956 geboren in het Poolse Oswiecim (Auschwitz), herkende de locatie waar SS’er Karl Höcker zijn vrije tijd doorbracht onmiddellijk. „Bijna iedereen in Oswiecim kent de Sola Hütte. Het is een vakantieoord in Miedzybrodzie”, vertelt Starzynska. „Het zijn de vakantiehuizen van de Zaklady Chemicze Oswiecim, het Poolse concern dat de IG Farbenfabrieken van Auschwitz na de oorlog heeft voortgezet. De werknemers kregen in de zomer de beschikking over die huisjes. Ik heb er heerlijke vakanties doorgebracht. Paddestoelen zoeken, lekker een beetje volleyballen en zo. Mijn vriendinnen waren er ook altijd.”

‘SS Sola Hütte Porabka-Miedzybrodzie’ zoals het recreatieoord officieel wordt genoemd, is in 1940 door kampgevangenen gebouwd. Het houten gebouw maakte deel uit van een groter geheel. Het complex functioneerde als recreatiecentrum voor de SS. Ook zakenrelaties uit Duitsland met hun vrouwen werden er in ondergebracht. Dagelijks reden er twee Mercedesbussen tussen Auschwitz en Porabka-Miedzybrodzie.

Starzynska doet een stedenbouwkundig onderzoek naar de stad Oswiecim en werkt mee aan het boek Oswiecim Now-Auschwitz Then dat medio 2008 zal verschijnen met foto’s van Bas Vroege, Carel van Hees en Hans Citroen.


Een versie van dit artikel verscheen op zaterdag 29 september 2007 in NRC Handelsblad.
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Media BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.

zondag 9 september 2007

Wageningen Open Monumentendag 2007 Architecture


Van Nellefabriek Rotterdam (1925-1931)
Moderne Monumenten

Monumenten van de twintigste eeuw

De Open Monumentendag 2007 staat onder de titel Moderne Monumenten in het teken van de twintigste eeuw. In deze eeuw kreeg de Nederlandse architectuur weer een eigen gezicht. Aan de wieg van deze ontwikkeling stond de architect H.P. Berlage, doorgaans gezien als de vader van de moderne Nederlandse architectuur. Met zijn aandacht voor een heldere constructie en eerlijk materiaalgebruik maakte hij de weg vrij voor de golvende vormen in baksteen van de Amsterdamse School en voor de rechte lijnen en moderne bouwmaterialen als staal, beton en geprefabriceerde panelen van Het Nieuwe Bouwen of functionalisme. De Amsterdamse School nam een grote vlucht na de Eerste Wereldoorlog, toen mede door de Woningwet uit 1901 voor volkswoningbouw grote opdrachten werden gegeven en hele woonwijken in deze stijl werden opgetrokken. De aanhangers van Het Nieuwe Bouwen wilden licht, lucht en ruimte. De Van Nellefabriek in Rotterdam en Sanatorium Zonnestraal in Hilversum zijn beroemde voorbeelden.

De industriële uitstraling van het functionalisme riep ook weerstand op en daarom begonnen halverwege de jaren twintig enkele architecten weer aanknopingspunten te zoeken bij de architectuur uit het verleden. De stijl van deze traditionalisten, met voorop de Deftse hoogleraar M.J. Granpré Molière, wordt ook de Delftse School genoemd. Vertegenwoordigers van zowel de Delftse School als het functionalisme kregen na de Tweede Wereldoorlog veel bouwopdrachten. Naast het herstel van havens, industrie en infrastructuur verrezen in deze periode van wederopbouw massaal nieuwe woonwijken met gestandaardiseerde eengezinswoningen en flatgebouwen om volksvijand nummer één in de jaren vijftig, de woningnood, te bestrijden.

Anno 2007 neemt de waardering voor de monumenten uit de twintigste eeuw toe. De architectuur en stedenbouw uit de periode 1900 – 1965 worden nu gezien als een belangrijke en vernieuwende ontwikkeling in de Nederlandse architectuurgeschiedenis.


See for more litarature ...